De politieke theorie van het smaakoordeel

oordeelsvermogen
(Afshin Pirhashemi)

Op 16 t/m 18 september 2016 organiseerde het Feminist Art Collective het Feminist Art Fest in KunstWest in Amsterdam; een festival met lezingen, exposities, discussies, performance art en muziek om de positie van vrouwen in de kunst en filosofie ter discussie te stellen. In de kunst en in de filosofie zijn vrouwen namelijk vaak minder zichtbaar. Het Feminist Art Collective wil hier verandering in brengen door meer vrouwen een podium te bieden om hun stem te laten horen en hun visie met het publiek te delen. Daarom lag de nadruk bij deze eerste editie van het Feminist Art Fest:  The Rebellious Muse op vrouwelijke kunstenaars en filosofen. Onderstaande is de lezing die ik op dit inspirerende festival heb mogen geven.


Inleiding

Als je het oeuvre van Hannah Arendt bestudeert, dan kan je zien dat haar hele denken uiteindelijk gericht is op het menselijke vermogen om goed van kwaad te onderscheiden. Dat is het vermogen waarmee we kunnen beoordelen wat recht is en wat onrecht. Een dergelijk oordeelsvermogen is noodzakelijk als we moreel goed willen handelen in de ruimte die we met anderen delen. Het is vooral noodzakelijk, omdat de resultaten van ons handelen vluchtig zijn. Ze zijn nooit blijvend en nimmer geldig voor élke situatie waarmee we gedurende ons leven geconfronteerd worden. Dit komt, omdat elke situatie uniek is. Daarom moeten we telkens weer opnieuw beoordelen welk handelen werkelijk rechtvaardig zou zijn in de context van die unieke situatie.

Ons oordeelsvermogen heeft dus een voortdurende urgentie. Maar als je wilt oordelen, dan heb je een criterium nodig. Een maatstaf waaraan je je kunt oriënteren. Zo’n maatstaf mag echter niet even vluchtig zijn als de resultaten van ons handelen. Integendeel: het moet juist sterk zijn, stabiel en vooral — dat is belangrijk — niet te corrumperen. Dit soort maatstaven duiden we ook aan met de woorden normen en waarden. Willen deze normen echter daadwerkelijk niet te corrumperen zijn, dan moeten ze transcendent zijn aan elk individu — dat betekent: ze moeten extern zijn aan de mens. Zodra een mens namelijk zou beschikken over deze normen — zodra een mens deze normen echt in handen zou hebben —, dan is er altijd de kans dat de willekeur de overhand gaat nemen en dat de maatstaven vervormd worden. Omgedraaid worden. Met als enig doel ze te misbruiken voor het eigen egoïsme en het eigen belang. En dan kan er geen sprake meer zijn van een moreel goed handelen binnen de ruimte die we met anderen delen. Een ruimte die Arendt het tussen noemt.

Hierbij komt dat onze lichamen veranderlijk zijn; vergankelijk zijn. Deze lichamen leven bovendien in een wereld die zich voortdurend verandert. Dit is een feit dat bekend staat als onze human condition, onze menselijke conditie — en ook daarover heeft Arendt een heel boek geschreven. Juist vanwege deze menselijke eindigheid, zullen we de voor onze moraliteit zo urgente en sterke normen nooit in onszelf, noch in onze empirische wereld kunnen vinden. Al het empirische is immers per definitie onstabiel en vergankelijk.

Over al deze kwesties heeft Arendt voortdurend nagedacht en geschreven. Haar denken kenmerkt zich als een denken dat een sterke belangstelling heeft voor het morele leven van een individu. Een leven dat uiteindelijk tot uitdrukking komt in het handelen. Nou is het zo dat er in de hele traditie een sterke scheiding is aangebracht tussen het denken en het handelen, alsof het twee activiteiten zijn die volledig los staan van elkaar. Maar bij Arendt is dat niet het geval. Zij hecht veel belang aan een oordeelsvermogen dat zich oriënteert op een sterke norm. Het oordeel dat op een dergelijke manier ontstaat, wordt vervolgens geuit in een politiek goed handelen. Politiek, omdat voor Arendt elk handelen en dus ook spreken in de gedeelde ruimte die er is tussen de mensen een politieke daad is. Wat hieraan voorafgaat, is de mentale activiteit van het denken. Het denken is de voorwaarde voor de twee andere vermogens van onze geest — het willen en het oordelen — en bijgevolg is het denken ook de voorwaarde voor ons praktisch handelen in de politieke arena.

Deze accentuering van de urgentie van het denken komt uitvoerig aan bod in haar laatste en postuum uitgebrachte werk Vom Leben des Geistes. Dit boek is voor het eerst in het Engels verschenen in 1971 als The Life of the Mind. In Duitsland verschenen de eerste twee delen — Das Denken en Das Wollen — voor het eerst in 1989. Arendt wilde het tweede deel over het willen naar eigen zeggen afsluiten met een analyse van de oordeelskracht. Helaas stierf ze plotseling toen ze nog aan dit project werkte. Wat over is, zijn uittreksels en de manuscripten van haar colleges over Immanuel Kants Kritik der Urteilskraft — Kritiek van het oordeelsvermogen. Hierin onderzoekt hij de menselijke oordeelskracht die gebaseerd is op de smaak. Smaak heeft alles te maken met kunst en precies als zodanig staat deze derde en laatste kritiek dan ook bekend: als zijn hoofdwerk over esthetiek. Arendts hypothese is echter dat het hierbij gaat om Kants eigenlijke filosofie van de politiek.

Kants vrijheidsbegrip: de vrijheid van het denken

Zij wil laten zien dat het oordeelsvermogen voor Kant zelf, in al zijn politieke schriften, doorslaggevender moet zijn geweest dan de praktische rede, en dat komt vanwege het aspect van de menselijke vrijheid. In het oordeelsvermogen verschijnt de vrijheid namelijk als een predicaat van de verbeeldingskracht en niet als een predicaat van de wil. De verbeeldingskracht staat in nauwe samenhang met Kants zogenaamde Erweiterte Denkungsart, wat zoveel betekent als een ruimere manier van denken. Deze manier van denken — waar ik straks dieper op in zal gaan — beschouwt Arendt als de bij uitstek politieke manier van denken, omdat we daardoor de mogelijkheid hebben vanuit de positie van ieder ander te denken.

Kants vrijheidsbegrip houdt in dat je de vrijheid moet hebben om al je gedachtes ook openbaar te kunnen maken. Alleen daarin komt je innerlijke vrijheid van het denken tot uitdrukking. Word je namelijk door externe krachten belemmerd in het publiek maken van je gedachtes, dan wordt daarmee tegelijkertijd je vrijheid te denken vernietigd.

In de hele filosofische traditie is het enkel Kants vrijheid-van-het-denken die volledig onafhankelijk is van de wilsvrijheid; en dit aspect van Kants vrijheidsbegrip heeft volgens Arendts observatie nauwelijks een rol gespeeld in de overgeleverde kantiaanse filosofie. Sterker nog: met zijn praktische rede, die de menselijke wil alle macht over de menselijke aangelegenheden toekent, was het Kant zelf die een schaduw wierp op zijn eigen vrijheidsbegrip. Hoewel hij in de oordeelskracht een geheel nieuw menselijk vermogen had ontdekt, vielen morele oordelen voor hem niet in het gebied van het oordeelsvermogen.  Anders gezegd:

Over mooi en lelijk oordeelt de menselijke oordeelskracht, maar over recht en onrecht oordeelt enkel de menselijke rede.

De dingen op zichzelf

Maar in tegenstelling tot Kant zelf ziet Arendt juist in de spontaniteit van zijn vrijheid van het denken een enorme waarde voor de specifiek menselijke conditie van de pluraliteit, en daarmee voor het morele oordeel. Pluraliteit betekent voor haar enerzijds dat we de wereld delen met anderen en dat we daardoor in relatie staan tot anderen. Anderzijds betekent pluraliteit ook dat we in relatie staan tot onszelf als we ons terugtrekken uit de fenomenale wereld en in een tweegesprek met onszelf beginnen met de activiteit van het denken.

Waar het Arendt in het bijzonder om te doen is, is dat de oordeelskracht altijd te maken heeft met Einzeldinge. Dit zijn de dingen op zichzelf, het singuliere en dus ook al die bijzondere menselijke aangelegenheden die een rol spelen in de gedeelde wereld van het tussen. Kant zegt over het singuliere dat het in relatie tot het algemene, een aspect van toevalligheid heeft; een aspect van contingentie. Die contingentie is er omdat ik een voorwerp mooi kan noemen, zonder het onder een algemene categorie te kunnen subsumeren. Als ik bijvoorbeeld zeg “Wat een mooie roos is dit!”, dan ben ik niet tot dit oordeel gekomen door voordien te hebben gezegd: “Alle rozen zijn mooi, deze bloem is een roos, dus is zij mooi.” Het had immers ook zo kunnen zijn dat ik die roos lelijk vind.

Precies deze contingentie is het voorwerp van het denken, want meestal denken we na over dingen die ook anders hadden kunnen zijn, en niet zozeer over dingen die noodzakelijkerwijs zijn zoals ze zijn.

De onafhankelijkheid van het esthetische smaakoordeel

Aan het esthetische smaakoordeel zit dus een subjectief aspect en dat maakt dat het onafhankelijk is van alle zogenaamd gegeven normatieve of categorische richtlijnen. Deze onafhankelijkheid van het smaakoordeel is voor Arendt dé voorwaarde voor het oordeelsvermogen überhaupt. Dus niet alleen voor wat mooi of lelijk is, maar ook voor wat moreel goed of slecht is. Voor haar geldt bovendien dat alle gegeven normatieve maatstaven sinds de Shoah en de totalitaire regimes van de vorige eeuw voor altijd hun geldigheid hebben verloren. Ze werden volledig gecorrumpeerd. Niet alleen werd het ‘je mag niet doden!’ een ‘je moet doden!’, ook de vrijheid van het denken en dus het vermogen om te oordelen werden voor een groot deel vernietigd.

Daarvandaan Arendts grote belangstelling voor Kants oordeelskracht. Hierbij is het meest verrassende van haar gedachte — en dat geeft ze zelf toe — dat het morele oordeel ook zou berusten op de smaakzin. Zoals eerder gezegd, zou Kant het hier niet met haar mee eens zijn geweest. Oordelen over het singuliere — dus: dit is mooi, dit is lelijk, dit is recht en dit is onrecht — hebben geen plek in Kants moraalfilosofie van de praktische rede. Voor hem is de oordeelskracht niet hetzelfde als de praktische rede die denkt en die mij vertelt wat ik moet doen en wat niet. Zij geeft de wet en is identiek aan de wil die bevelen geeft. Dit geldt echter niet voor het smaakoordeel dat ontstaat uit een puur beschouwelijk genoegen of een nietsdoend welbehagen.

De vraag die nu opkomt, is hoe een beschouwelijk genoegen überhaupt iets te maken kan hebben met wat ons in de praktijk te doen staat. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst begrijpen wat de smaakzin eigenlijk precies is.

De vijf zintuigen

Voor Kant is de smaakzin een van de 5 zintuigen waarover elk menselijk wezen beschikt. Hierop aansluitend brengt Arendt een onderscheid aan in 3 objectieve en 2 subjectieve zintuigen. De objectieve zintuigen zijn het zien, het horen en de tastzin en ze leveren waarnemingen op van de voorwerpen in de buitenwereld. Doordat deze zintuigen zich onmiddellijk — en als het ware objectief — op de voorwerpen richten, kunnen we ze ook op een eenvoudige manier mededelen. We kunnen anderen vertellen wat we zien, horen of voelen met onze tastzin. Daarentegen leveren de subjectieve zintuigen — de reuk en de smaak — innerlijke waarnemingen op die weliswaar ook onmiddellijk zijn, maar die volledig privé zijn. Wat ik proef of ruik, kan ik namelijk niet makkelijk in woorden uitdrukken.

Een ander onderscheid is dat de objectieve zintuigen het vermogen hebben iets dat afwezig is te representeren door het voor de geest te halen in een voorstelling. Het  afwezige wordt op deze manier tegenwoordig gemaakt.

Ik kan bijvoorbeeld terugdenken aan een gebouw dat ik heb gezien, of aan een melodie die ik heb gehoord, of aan het gevoel van fluweel dat ik heb aangeraakt.

Dit vermogen om iets in je geest tegenwoordig te maken, heet bij Kant de Einbildingskraft, de verbeeldingskracht.

Daartegenover kunnen de subjectieve smaak- en reukzin enkel bepaalde dingen herkennen, zonder ze tegenwoordig te kunnen maken middels de verbeeldingskracht. Wat de subjectieve zintuigen bijzonder maakt, is dat zij voor Arendt — zoals ook voor Kant — de mening-vormende zintuigen zijn. Bij iets dat ik zie, hoor of voel, kan ik afzien van een mening — en dus van een oordeel —, maar als ik iets proef of ruik, dan heb ik onmiddellijk een aangename óf een onaangename sensatie. Een sensatie die me aanraakt en die bovendien volledig privaat is. Ik kan me op geen enkele manier daaraan onttrekken en dus vorm ik direct een mening.

De smaak als de mentale drager voor de oordeelskracht

Lang voor Kant was het de Spaanse filosoof Balthasar Gracian die reeds in de 17e eeuw de smaak opwaardeerde tot de mentale drager voor de oordeelskracht. En dan niet alleen voor de privé oordelen die met een voor- of afkeur te maken hebben, maar ook voor de morele oordelen over recht en onrecht. Iets dat op zich zelf genomen vreemd klinkt, omdat onze smaak berust op een niet te communiceren privé sensatie.

De reden dat ook Kant de smaak heeft opgewaardeerd tot het mentale vehikel van de oordeelskracht ligt volgens Arendt in het gegeven dat alleen de subjectieve zintuigen mening-vormend zijn en zich als enige op het singuliere als zodanig richten. Alle dingen echter die de objectieve zintuigen waarnemen, delen hun eigenschappen met andere dingen waardoor ze niet individueel zijn. Ze kunnen makkelijk worden gesubsumeerd onder algemene categorieën.

Het reflecterende beoordelingsvermogen

Precies deze karakteristiek van het beoordelen van het singuliere is voor Kant het beslissende om de smaak de kern te laten vormen van zijn kritiek van de oordeelskracht. Voor zowel Kant als Arendt gaat het bij de oordeelskracht dus om het beoordelen van het singuliere dat niet te rangschikken is onder een gegeven algemeenheid. Daarom noemt hij het ook het reflecterende beoordelingsvermogen. Gezien Arendts observatie dat het oordeelsvermogen onder het totalitarisme vernietigd werd, is het heel goed begrijpelijk dat zij een dergelijk grote belangstelling heeft voor Kants reflecterend vermogen.

Wat zich echter nog als problematisch uitwijst — als je smaakoordelen wilt transponeren naar het politieke domein — is dat ze niet te communiceren zijn. Daarover zegt Arendt:

Geen enkel argument kan me overtuigen oesters lekker te vinden, als ik ze gewoon niet lekker vind smaken.

De oplossing voor dit probleem vindt zij in twee andere vermogens die in Kants derde kritiek een prominente rol spelen: de verbeeldingskracht en de Gemeinsinn — de gemeenschapszin, ofwel sensus communis.

De verbeeldingskracht

Met onze verbeeldingskracht bewerken we een in de waarneming gegeven voorwerp tot een ding van de verbeelding waarmee het toegankelijk wordt voor onze reflectie; voor ons denken. De bewerking vindt plaats doordat ik een voorwerp kan verinnerlijken. Daardoor lijkt het alsof het niet door een van de 3 objectieve zintuigen gegeven is, al is dat in eerste instantie wel het geval. Voor alle smaakoordelen geldt echter bij voorbaat al dat ze niet gegeven zijn door de objectieve zintuigen, of zoals Kant dat uitlegt:

Mooi is dat wat in het zuivere oordeel bevalt (gefällt).

Arendt interpreteert dit als dat het er niet op aankomt of het voorwerp in de waarneming bevalt of niet — dat is immers het criterium van het ‘aangename’ en niet van het ‘schone’ dat enkel in de verbeelding bevalt.

Doordat een voorwerp nu middels de verbeeldingskracht bewerkt wordt, verwijdert het oordeel zich van de smaakzin. Het transcendeert als het ware de onmiddellijke waarneming en dan kan de geest beginnen om over het voorwerp na te denken. En alleen datgene waarover ik na kan denken — en dat me bovendien aanraakt in mijn verbeelding en niet meer in een onmiddellijke waarneming —, kan ik ook beoordelen. Enkel in mijn denken heb ik de mogelijkheid om tot een oordeel te komen over of dat singuliere recht of onrecht is, belangrijk of verwaarloosbaar, mooi of lelijk.

Distantie en onverschilligheid

De mogelijkheid om in mijn denken te kunnen oordelen, komt omdat ik weliswaar nog steeds als door een smaakding ben aangeraakt, maar ondertussen heeft mijn verbeelding de juiste distantie geschapen. Er is een soort onverschilligheid ontstaan; een soort ongeïnteresseerdheid. En die is belangrijk, omdat dit betekend dat nog niets is ingevuld. Nog niets is besloten. De zaak staat dus nog open. De sensatie van de smaak is weliswaar een onmiddellijke, maar het oordeel is dat niet. Het kan alleen in het denken ontstaan en om te kunnen denken, heb je eerst distantie en onverschilligheid nodig.

Om dan uiteindelijk tot een oordeel te kunnen komen, heeft de reflectie iets extra’s nodig, een supplement. Arendt noemt dit een Gabe: een gift. Een criterium dus in de vorm van een maatstaf, zoals het Schone met een hoofdletter S, of het Rechtvaardige met een hoofdletter R. Want alleen dan kan aan de onverschilligheid — dit woord betekent letterlijk ‘geen verschil uitmakend’ — iets worden toegevoegd dat wel een verschil uitmaakt. Ter plekke van de openheid van de ongeïnteresseerdheid ontstaat dan het oordeel.

Wat vooral van belang is, is dat alvorens het oordeel ontstaat de voorwaarde van onafhankelijkheid tot stand wordt gebracht, en wel door de distantie die het denken heeft tot het voorwerp. En die distantie ontstaat dus als ik me terugtrek van de fenomenale wereld en in een twee-in-een relatie met mezelf in gesprek ga, oftewel: dan begin ik na te denken. In dit terugtrekken trek ik me bovendien ook terug van mijn eigen subjectieve vooroordeel dat gekoppeld is aan de fenomenale wereld. Dat vooroordeel wordt dan betekenisloos in de ervaring van het denken.

Het niet-subjectieve: de intersubjectiviteit

Wat Arendt aan Kant waardeert, is dat hij reeds vroeg herkende dat er in het meest private en subjectieve zintuig iets zit dat niet subjectief is. Hij ontdekte dat als het gaat om de smaak, het mooie alleen van belang is in het gezelschap met anderen. Of zoals hij dat uitdrukt: een mens alleen met zichzelf op een ledig eiland zou noch hun hut, noch zichzelf opsmukken. Het welgevallen van een object bevredigt de mens alleen als hen dat welgevallen in de gemeenschap met anderen kan voelen. Radicaal uitgedrukt, zegt Kant:

In kwesties van de smaak, wordt het egoïsme overwonnen.

Dit betekent niets anders dan dat men respect — Rücksicht — neemt, en wel in de oorspronkelijke betekenis van dit woord. Rücksicht betekent letterlijk die Sicht zurück, een zicht (blik) terug op in dit geval personen die voor een handeling of daad van belang zijn. Dit is niets anders dan wat het woord ‘respect’ ook uitdrukt. Het Nederlandse woord voor Rücksicht is consideratie dat zoveel betekent als overweging, beraad, overleg, in aanmerking nemen, maar ook achting. Arendt duidt dit als dat men zich van de eigen, bijzondere en subjectieve omstandigheden los moet maken, en wel omwille van de anderen in het tussen.

Het niet subjectieve van de subjectieve zintuigen is dus de intersubjectiviteit. In deze gedeelde subjectiviteit zit voor Arendt de brug van het individu naar het tussen van de gedeelde wereld.

Om te denken moet ik alleen zijn, maar om werkelijk van een maaltijd te kunnen genieten, moet ik met anderen zijn.

We zijn dus in staat tot deze intersubjectiviteit. Bovendien eist de normativiteit van de pluraliteit dat we tot een intersubjectief oordeel komen in onze morele beschouwingen.

Gedeelde subjectiviteit: sensus communis in plaats van egoïsme

Nu komt naast de verbeeldingskracht het andere, voor het oordeel belangrijke, vermogen op het toneel: de gemeenschapszin. Die bestaat alleen daar waar er een voortdurende uitwisseling plaatsvindt van alle meningen waarbij de pluraliteit verondersteld en tegelijkertijd noodzakelijk is. Hier gaat het om iets dat méér is dan alleen maar een gezond mensenverstand.

Kant volgend, stelt Arendt nu vast dat de gemeenschapszin het algemene zintuig is waarmee ik oordeel. Alleen de gemeenschap met anderen — de gedeelde subjectiviteit dus — haalt dit algemene zintuig bij mij tevoorschijn. De geldigheid van deze intersubjectiviteit ontstaat en groeit uit de omgang met andere mensen, net zoals het denken ontstaat en groeit uit de omgang met mezelf.

Mijn oordeel zal des te representatiever worden naarmate ik meer standpunten van andere mensen in mijn denken tegenwoordig maak doordat ik ze met mijn verbeeldingskracht voor mijn geest haal. Dan kan ik al die standpunten naast mijn eigen standpunt zetten en een rol laten spelen bij het vormen van mijn oordeel. De geldigheid van een dergelijk oordeel is dan niet objectief en universeel, noch subjectief en afhankelijk van persoonlijke ideeën, maar intersubjectief, oftewel: representatief.

Representatief denken

Deze manier van representatief denken is enkel mogelijk door onze verbeeldingskracht, en het vraagt dan ook om bepaalde offers. Of, zoals Kant dat zegt:

Wij moeten bij wijze van spreken omwille van anderen afstand doen van onszelf.

De gemeenschapszin is voor Kant de moeder van de oordeelskracht en daarom is het voor Arendt alleen maar nog merkwaardiger dat hij zijn ontkenning van de zelfzucht niet in samenhang heeft gebracht met zijn moraalfilosofie, maar enkel met het esthetische oordeel. Dat het smaakoordeel zo’n aantrekkingskracht heeft op Arendt, komt omdat je het “in je smaakoordeel niet oneens kunt zijn met de héle wereld, al mag je voor een groot deel van mening verschillen.” Wat er dan gebeurt, is dat je in beraad gaat en al die verschillende standpunten meeneemt in je oordeel. Arendts conclusie is dat als we de moraliteit willen beschouwen onder méér dan enkele haar negatieve aspect — dit is ‘na te laten kwaad te doen’ met als gevolg een mogelijk nalaten van elk doen —, dan moeten we het menselijke gedrag in die zin beschouwen die Kant slechts met betrekking tot het esthetische gedrag gepast vindt.

Waarom hij het morele zintuig in dit volledig andere gebied van het menselijke leven ontdekte, ligt volgens Arendt daaraan dat hij pas tijdens het schrijven van zijn  derde kritiek na ging denken over de mens in pluraliteit. De mens die dus leeft in een gemeenschap. En dan geldt dat het egoïsme niet kan worden overwonnen door het prediken van moraal, maar louter met het inzicht van Kants woorden:

Tegenover het egoïsme kan je alleen het pluralisme stellen, en dat is die manier van denken waarbij je jezelf niet beschouwt als de hele wereld die je met je eigen zelf bevat, maar als een zuivere wereldburger die zich ook als zodanig gedraagt.

En dit is niets anders dan Kants ruimere manier van denken — de Erweiterte Denkungsart.

De mens in pluraliteit: de ruimere manier van denken

Arendts manier om over Kants oordeelskracht na te denken, is een volledig andere dan de traditionele duiding ervan. In een brief aan Karl Jaspers geeft zij een opsomming van de redenen waarom zij in Kants Kritiek van de oordeelskracht zijn werkelijke politieke filosofie heeft ontdekt:

  1. zijn lofzang op de normaliter zo gehoonde gemeenschapszin;
  2. het fenomeen van de smaak dat Kant als een grondfenomeen van de oordeelskracht filosofisch serieus heeft genomen;
  3. de ruimere manier van denken die behoort tot een oordelen waarbij men vanuit de positie van ieder ander kan denken — het representatieve denken dus;
  4. en last but not least de eis van communiceerbaarheid.

Deze communiceerbaarheid schijnt dus onderdeel te zijn van het criterium waaraan het oordeel van het denkende ik zich oriënteert. Als ik denk, dan is het voorwerp van mijn denken ontdaan van al het zinnelijk-concrete waardoor ook ruimtelijkheid en tijdelijkheid wegvallen. Wat dan overblijft, is het geabstraheerde wezen dat zich meester maakt van het denken. Hierdoor verlaat het denken de contingente wereld en de singuliere dingen om op zoek te gaan naar iets dat algemeen zinvol is, al is dit algemeen zinvolle niet noodzakelijkerwijs ook algemeen geldig.

Het oordeel echter, en dan vooral het smaakoordeel, denkt te allen tijde aan de anderen en houdt rekening met hun mogelijke oordelen. Dit is noodzakelijk, omdat ik een mens ben en niet buiten de menselijke gemeenschap kan leven. Zie hier de normativiteit van de pluraliteit.

De wereldburger

Kants Erweiterte Denkungsart, deze vergroting en verbreding van het denken, speelt in zijn derde kritiek een beslissende rol. De verbeeldingskracht is daarbij het vermogen dat het mogelijk maakt het eigen oordeel op te schorten door het in het licht te bezien van andere niet werkelijke, maar louter mogelijke oordelen. Mogelijk, omdat ieder oordeel immers weer kan veranderen doordat ik nieuwe ervaringen maak. Wat belangrijk is, is dat ik mijn oordeel alleen dan kan bezien in het licht van andere mogelijke oordelen, als ik mezelf verplaats in ieder ander.

En precies dit is wat kritisch denken is, volgens Arendt. Een kritisch denken is dus alleen dan mogelijk als de standpunten van alle andere mensen onderzocht kunnen worden. Ondanks dat het kritische denken zich enkel voltrekt als we alleen zijn met onszelf, zijn we toch nooit volledig geïsoleerd van alle andere mensen. Die worden namelijk voor de geest tegenwoordig gemaakt middels de verbeeldingskracht. Op deze manier beweegt zich het kritische denken in een openbare en naar alle kanten open ruimte. Anders gezegd:

Het kritische denken stelt zich dan op het standpunt van Kants wereldburger.


 

More from Heidi Dorudi

Iran ligt niet in ‘het Midden-Oosten’! Over de macht van namen en woorden

‘Vatan’ is de Perzische naam voor wat men hier ‘geboorteland’ noemt. Mijn...
Read More