De bezetting van de traditie – Feminisme in Iran 3

SHIRAZ, IRAN - APRIL 26, 2015: women walking in Shiraz, Iran

Deel 2 van dit drieluik sloot af met de definitie van het islamitisch feminisme als: de zoektocht naar de moeilijk te bereiken middenweg tussen religieuze plichten en moderne behoeftes. In mijn ogen is het islamitisch feminisme een politieke beweging die de traditie heeft bezet, en wel de traditie van de dominant masculiene en dus patriarchale interpretatie van de Islam met betrekking tot vrouwen. Door deze bezetting van de traditie is er een ruimte ontstaan waarin het mogelijk is om van binnenuit in de Koranteksten nieuwe betekenissen te ontdekken over de vrouw in de islamitische context.

Vrouwenrechten en gender-gelijkheid middels een islamitisch discours

In haar boek Paradise beneath her feet omschrijft Isobel Coleman het islamitisch feminisme als het bevorderen van vrouwenrechten middels een islamitisch discours. Zoals conservatieven de Islam als barrière tegen de empowerment van vrouwen inzetten, zo zetten islamitische feministen nota bene de Islam in om de patriarchale argumenten op z’n kop te zetten en gender-gelijkheid te realiseren. Ze betogen dat de Islam in zijn wezen progressief is ten opzichte van vrouwen en dat juist deze leer gelijke kansen voor vrouwen en mannen ondersteunt. Deze benadering stelt hen in staat te wijzen op hun rechten zonder daarbij het gevoel te hebben hun religieuze identiteit te moeten compromitteren. Als moslima’s identificeren zij zich immers diep met hun geloof, terwijl ze tegelijkertijd in hun concreet leven worden geconfronteerd met gender-ongelijkheid en misogynie. Juist het islamitisch feminisme voorkomt wat Mir-Hosseini omschrijft als de pijnlijke keuze tussen verraad en verraad: als vrouwen moeten kiezen tussen geloof óf gender-bewustzijn, dan is het resultaat áltijd verraad. De islamitische feministen elimineren deze keuze — die in feite geen keuze is — door hun islamitische identiteit te verzoenen met gender-gelijkheid. Hun ideeën maken deel uit van een bredere hervormingsbeweging binnen de Islam en kan bijgevolg worden beschouwd als een van de grootste ideologische strijden van de eenentwintigste eeuw. Een strijd, omdat het islamitisch feminisme als concept door het Westen wordt geridiculiseerd  en afgedaan als niets meer dan een oxymoron: een stijlfiguur die een enge verbinding van twee tegenovergestelde begrippen bevat. Tegelijkertijd wordt het islamitisch feminisme door conservatieve moslims verkettert en gedemoniseerd.

Maar wat is islamitisch feminisme inhoudelijk? Hoe gaan islamitische feministen te werk? Dit kan het beste worden verduidelijkt aan de hand van het werk van Amina Wadud. Zij is een Amerikaanse academicus en imam die zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw bekeerde tot de Islam. Zoals veel islamitische feministen gelooft ook zij dat de Islam vrouw-inclusief is en altijd al ging over gender-gelijkheid. Dit is echter als zodanig eenvoudigweg nooit gepraktiseerd en wel omdat de Koran volgens Wadud in de loop der geschiedenis — en nog steeds — verkeerd is begrepen en geïnterpreteerd. Je zou bijna kunnen stellen dat het een bewuste misinterpretatie is met als doel de verschillende patriarchale, misogyne en soms zelfs gewelddadige culturele praktijken te verantwoorden door middel van de Koran. Vanuit dit uitgangspunt onderzoeken islamitische feministen de eeuwenoude tradities met betrekking tot vrouwen — in De Beauvoirs termen zijn dit de mythen van de vrouw. Daarnaast wordt de Koran diepgaand bestudeerd op de ware islamitische boodschap in relatie tot vrouwen. Waduds nauwgezette studie van de heilige teksten overtuigde haar dat veel van hetgeen gebruikt werd om vrouwenmishandeling in de naam van de Islam te rechtvaardigen niets anders is dan inderdaad een verkeerde interpretatie van de Koran. In 1992 publiceerde ze haar boek Quran and Woman: Rereading the Sacred Text from a Woman’s Perspective. Daarin beargumenteert zij dat alle rechten die vrouwen nodig hebben gewoon in de Islam te vinden zijn zodra alle niet-islamitische tradities als ook het patriarchaat van de teksten worden afgeschild. Dan onthult zich de ware essentie van de Islam met betrekking tot vrouwen. De strijd van vrouwen om de gelijkheid te verwerven die hen in de Koran beloofd is, noemt Wadud gender jihad. Volgens Coleman voeren heden ten dage miljoenen vrouwen en mannen op verschillende manieren hun eigen gender jihad. Echter, geen van hen positioneert vrouwenrechten als een westerse of seculiere oplegging, maar als een zuiver islamitische waarde.

De bezetting van de traditie door de Iraanse vrouwen

De geschiedenis van het Iraanse feminisme stopte niet met de realisatie van Khomeinis geheime agenda, zijnde de terugkeer naar de sharia. Volgens Mir-Hosseini had de opkomst van de politieke Islam in Iran een paradoxale consequentie: het creëerde een ruimte waarbinnen moslim vrouwen hun religieuze identiteit konden verzoenen met hun strijd voor gender-gelijkheid. Dit gebeurde echter niet omdat de Islamisten een egalitaire visie van sekseverhoudingen hadden, die hadden ze allerminst. Veeleer was het juist hun poging de patriarchale interpretaties van gender-verschillen — inherent aan de traditionele islamitische wet — te vertalen naar een politiek stelsel. Dit zette veel vrouwen aan deze interpretaties vel af te keuren en politiek actief te worden. Het werd hen steeds duidelijker dat er geen inherent of logisch verband is tussen islamitische idealen en de patriarchale traditie. Hierdoor kwamen ze ook tot het inzicht dat hun islamitisch geloof niet tegenstrijdig is met het feminisme. Door de taal van de politieke Islam te gebruiken, konden zij een kritiek leveren over de vooroordelen binnen de islamitische wet met betrekking tot gender; iets dat voordien onmogelijk was.

Mir-Hosseini schetst hoe er eind 1980 een nieuw gender-discours ontstond waarbij feministische eisen werden verantwoord in de islamitische taal. Toch waarschuwt Mir-Hosseini voor de misconceptie dat de verschillende feministische geluiden die sinds toen binnen de Islam te horen zijn netjes gecategoriseerd kunnen worden. In tegenstelling tot het feminisme onder de Sjah is de vrouwenbeweging in het huidige Iran geen top-down feminisme: het is noch opgelegd door een staat, noch door het Westen. Als een bottom-up feminisme met een grassroots karakter kent het verschillende posities die lokaal zijn en zodoende divers en meervoudig. Niet anders dan de realiteit van onze wereld wordt ook het feminisme in Iran gekenmerkt door diversiteit en pluraliteit. De grote gemene deler is dat de feministische vrouwen en mannen in Iran allen streven naar gender justice en gelijkheid voor vrouwen. En dit ondanks dat ze daarbij soms verschillen van mening over wat die rechtvaardigheid of gelijkheid constitueert en over de beste manier om dat te bereiken. Coleman wijst ons erop dat het hoofdzakelijk het etiket »islamitisch feminisme« is dat vanuit alle kanten in Iran in diskrediet is gebracht. Vooral wordt het als politiek incorrect ervaren om de westerse term feminisme tegenover de Islam op te stellen. Sommige activisten claimen dat de steun voor hun werk vermindert wanneer het woord feminisme in welke vorm dan ook gebruikt wordt. Daarnaast gaan veel Iraniërs na meer dan drie decennia theocratie elk islamitisch iets het liefst uit de weg. Zodoende verlangen veel vrouwelijke activisten in het huidige Iran naar een feminisme dat vrij is van de Islam. Maar het feit dat het regime er gewoon is, dwingt hen ertoe om de Islam in te zetten in hun tactiek. Desalniettemin meent Coleman dat Iran zich ontpopt als de ground zero voor een islamitisch discours ten behoeve van vrouwenrechten. Teneinde te laten zien hoe dit discours in Iran wordt ingezet, zal ik in wat volgt twee van Colemans talrijke voorbeelden weergeven van het islamitisch feminisme in Iran.

De dochters van de revolutie

Sommige Iraniërs die hun weg naar het islamitisch feminisme hebben gevonden, komen van rechts. Dit zijn wat Coleman de dochters van de revolutie noemt. Monir Amadi Qomi is een van deze vrouwen en Coleman heeft haar in 2007 in Teheran geïnterviewd. Volgens Qomi — zij is diep religieus en draagt de tsjador — werden 85% van de Iraanse vrouwen al vóór de islamitische revolutie onderdrukt door religie en traditie: ze mochten niet deelnemen aan het publieke leven en stonden voor alles onder de voogdij van een man. Echter, tijdens de revolutie gaf Khomeini hen een stem door ze op te roepen hun huizen te verlaten en deel te nemen aan de demonstraties tegen de Sjah — een daad die tot dan toe in traditionele gezinnen beschouwd werd als blasfemie. Op deze manier gaf hij hen het geloof dat ze na de revolutie voor het eerst educatieve en economische kansen kregen binnen een islamitische democratie. Maar de realiteit bleek anders uit te pakken voor alle vrouwen: naast de verplicht gestelde hedjab werd de huwelijksleeftijd voor vrouwen verlaagd naar negen jaar, polygamie werd minder beperkt en echtscheiding werd makkelijker voor mannen en moeilijker voor vrouwen. Vooral het nieuwe strafrecht was uiterst unfair jegens de vrouw: zowel haar leven als haar getuigenis voor een rechter hadden ineens nog maar de helft van de waarde van het leven en de getuigenis van een man. Bovendien werd de steniging na lang verdwenen te zijn uit het strafrecht opnieuw als straf voor haar overspel ingevoerd. Dit was vooral desastreus voor de Iraanse elitaire en hoogopgeleide vrouwen en in veel mindere mate voor  vrouwen als Qomi. Zij leefden immers altijd al in een sociaal rigide wereld van religieuze tradities. Een wereld waarin vrouwen geen leven mochten hebben buitenshuis waardoor elke vorm van educatie — zelfs onder de Sjah — onmogelijk was. Met name op het land werd meisjeseducatie door de conservatieve religieuze leiders gezien als een instrument voor verwesterlijking die zou leiden tot decadentie en verval. Paradoxaal genoeg verbeterde het leven van vrouwen als Qomi na de islamitische revolutie aanzienlijk, aangezien vrouwen voor Khomeini niet alleen onmisbaar waren voor de mobilisering van de massa tijdens de revolutie, maar ook voor het vullen van het vacuüm op de arbeidsmarkt dat als gevolg van de jarenlange Iran-Irak oorlog was ontstaan. Educatie en werk buitenshuis, dus toegang tot een eigen inkomen, werd voor het eerst ook voor deze vrouwen — ingeboren in de meest traditionele islamitische gezinnen — volledig acceptabel.

Gaandeweg echter voelden ook zij zich verraden door de theocratische retoriek van islamitische rechtvaardigheid die zich niet weerspiegelde in hun geleefde realiteit als vrouw. Ondanks dat ze als iconen werden beschouwd tijdens de revolutie, hadden Qomi en haar revolutionaire zusters door de legale beperkingen een minderwaardige status als mens. Toch blijft zij Khomeini trouw, vertelt ze aan Coleman. Volgens haar zag Khomeini de ware Islam, namelijk dat de profeet zelf de rechten van de vrouw verdedigde. Gefrustreerd over het feit dat de revolutie alsnog vrouwen heeft weten te marginaliseren, schreven zij en een aantal vrienden een brief aan Khomeini. Ze beargumenteerden dat ze, ondanks meegevochten te hebben in de strijd tegen de Sjah, tot de realisatie waren gekomen dat de nieuwe regering hen niet toestond hun rol in de maatschappij te vervullen. De oorzaak van vrouwenonderdrukking zagen ze in een vermenging van traditie en Islam en dus kwamen ze met het voorstel tot de oprichting van een onderzoeksorganisatie die religie losmaakt van traditie. Niet alleen keurde Khomeini dit concept goed, hij stuurde zelfs geld voor de opstart van de organisatie. Hierdoor kreeg het islamitisch feminisme in 1986 in de vorm van The Institute for Women’s Studies and Research (IWSR) een officiële positie in Iran. Vooral na het oorlogseinde in 1988 konden zij een pragmatische wending doorvoeren en wel door alle interne economische en sociale problemen die de oorlog had veroorzaakt. Vrouwen waren immers nodig voor de wederopbouw van het land en door het ontbreken van technische expertise werden ze meer en meer toegelaten tot een diversiteit aan studies binnen de Iraanse universiteiten. Vanaf 1992 mochten ze weer rechten studeren, als advocaat werken en zelfs rechters assisteren bij echtscheidingszaken. De grootste verandering vond echter plaats op het gebied van het legaliseren van anticonceptie binnen de Islam. Het was Khomeini zelf die ijtihad inzette om de oelama ervan te overtuigen dat de tijden veranderen en dat de Islam ook daarin voorziet. Hij argumenteerde dat een gezonde en sterke populatie beter is dan slechts een grote. Dit rechtvaardigde hij met te stellen dat de oproep van de profeet om veel kinderen te krijgen enkel te maken had met de vele oorlogen in zijn tijd. Die maakten een grote populatie noodzakelijk en dat zou begin jaren negentig in Iran niet meer aan de orde zijn. Van dit nieuwe beleid maakte de IWSR direct gebruik om de reproductieve gezondheid voor vrouwen te verbeteren door onderzoek alsmede door het geven van trainingen aan de vrouwen in de provincies door welzijnswerkers in de vrouwenzorg. Gedurende de jaren negentig werden veel van deze welzijnswerkers grassroots activisten die sindsdien een hele reeks aan vrouwenzaken in het hele land aanpakken.

Coleman vertelt hoe dit succes Qomi aanspoorde om met haar instituut — de IWSR — een breder maatschappelijk bewustzijn omtrent vrouwenzaken te bevorderen. Aangezien veel beperkingen voor vrouwen in de naam van religie werden geïmplementeerd, wilde het instituut vooral de eigen kennis van de Islam verdiepen om erachter te komen wat de Islam eigenlijk vertelt over de rol van vrouwen in de maatschappij. Studiegroepen begonnen met het bestuderen van de Koran met focus op de verschillen tussen de Islam en patriarchale tradities waarop veel wetgevingen waren gebaseerd. Dit resulteerde in trainingen voor rechters en hoofden van familierechtbanken teneinde een progressievere interpretatie van de sharia te bereiken. In 2007 werden deze trainingen zelfs door sommige islamitische beleidmakers — mannen (!) —gevolgd. Qomi uit echter ook haar teleurstelling in de regering van Ahmadinedjad — de Iraanse premier van 2005 tot 2013 — die zij als te conservatief beschouwt. Volgens haar is het een regering die tegen vrouwen is. Noodgedwongen concentreert ze zich daarom minder op politieke kwesties omtrent de sharia. Het ISWR moet volgens haar pragmatisch zijn en probeert bovenal de maatschappij gevoeliger te maken voor vrouwenkwesties.

De linksgeoriënteerde intellectuele activisten

Naast vrouwen zoals Qomi zijn er ook linksgeoriënteerde intellectuele activisten die het islamitisch discours inzetten. Zij zien in dat religieuze argumenten essentieel zijn voor de bevordering van sociale veranderingen binnen de religieus geladen omgeving van de Islamitische Republiek alwaar de premissen van het regime niet openstaan voor discussie. Dus richten zij zich op de islamitische jurisprudentie en de inzet van ijtihad om hervormingen voor elkaar te krijgen. Een van deze vrouwen is Mahboubeh Abbasgholizadeh. Ze vertelt aan Coleman dat ook zij, net als Qomi, geïnspireerd en gemobiliseerd werd door Khomeini. Ooit was ook zij een gepassioneerde revolutionair. Na de revolutie echter begon ze het islamitisch feminisme in te zetten om de contradicties tussen haar leven onder de Islamitische Republiek te verzoenen met haar zoektocht naar een tolerante en pluralistische Islam. Als gevolg hiervan begon ze het islamitische regime in twijfel te trekken waardoor ze het etiket »islamitisch feminisme« afwees en zichzelf begon te omschrijven als moslim feministe. Tegenwoordig (2009) is ze naar eigen zeggen gewoon een feministe die inziet dat het islamitisch feminisme een belangrijk instrument is om conservatieve vrouwen en mannen te helpen bij een vergelijkbare transformatie en bewustwording. In de jaren tachtig was zij vooral bezig in de Koran naar antwoorden te zoeken op vragen als: ‘zijn vrouwen in de Islam tweederangsburgers?’ en ‘wat zijn de werkelijke plichten van vrouwen binnen de Islam?’ In haar functie als mederedacteur van het vrouwenblad Farzaneh begon ze deze vraagstukken te onderzoeken. In 1993 scheidde ze van haar man hetgeen voor haar een levensveranderende ervaring was, aangezien zij toen in aanraking kwam met de discriminatie in het systeem.

In 1995 was Abbasgholizadeh een van de 100 vertegenwoordigers van de Iraanse delegatie die deelnaam aan de United Nations’ Fourth World Conference on Women in Beijing. Voor haar markeerde deze conferentie een ander keerpunt in haar leven. Haar zienswijzen veranderden doordat ze aldaar in contact was gekomen met feministen uit alle mogelijke landen. Ze kon zich steeds meer vinden in een seculier denken. Ondanks meerdere arrestaties en opsluitingen door de regering, zette zij zich onverdeeld in voor een omverwerping van de discriminatoire gender-wetten. In 2006 was ze uiterst actief in de Campaign to Stop Stoning Forever. Deze campagne resulteerde weliswaar niet in een wetsverandering, maar had wel als gevolg dat meerdere tot steniging veroordeelde mensen hun straf konden ontlopen of uitstellen. Bovenal heeft de campagne de publieke discussie geopend over de rechtsgeldigheid van steniging als straf. In dezelfde tijd was zij een van de oprichters van de Meydaan Women’s Group, een netwerk van vrouwenactivisten die zich wijdden aan het onthullen van de gevaren van het opkomende neofundamentalisme. Het grootste vrouweninitiatief van de afgelopen jaren is de One Million Signatures Campaign: een poging om vrouwen en mannen te verenigen ten behoeve van het doordrukken van vrouwenrechten vanuit een volkseis aan de regering. In 2005 publiceerde het vrouwenblad Zanan een interview met Mir-Hosseini over hoe vrouwen in Marokko een brede handtekeningen-campagne op gang hadden gezet om bij de overheid een petitie in te dienen voor de verandering van het discriminatoire familierecht. Mir-Hosseini gaf aan dat deze campagne een belangrijke drijfveer was voor de progressieve veranderingen die de overheid uiteindelijk in 2004 doorvoerde in de Marokkaanse familiewetgeving, de mudawana. Het succes van de Marokkaanse vrouwen inspireerde een groep Iraanse hervormers tot het volgen van een vergelijkbare strategie. Ten einde hun oproep zo breed mogelijk te maken, baseren de vrouwen achter de Iraanse One Million Signatures Campaign hun argumenten voor vrouwenrechten op zowel internationale als islamitische wetten. Zij worden gesteund door verschillende religieuze leiders die voor een meer egalitaire interpretatie van vrouwenrechten in de Islam zijn. De focus van de campagne ligt op een grotere maatschappelijke bewustwording en de ontwikkeling van grassroots ondersteuning om de wettelijke ongelijkheid van vrouwen te adresseren. Met een face-to-face benadering luisteren zij naar de dagelijkse zorgen van vrouwen en leggen zij uit waarom alle Iraniërs zich iets moeten aantrekken van de ongelijkheid in de wetten. In 2009 was er een enorm netwerk van activisten werkzaam in meer dan dertig Iraanse steden en de helft van het platteland. Het Meydaan netwerk en de One Million Signatures Campaign benadrukken dat hun doel niet de omverwerping van het regime is, maar de verandering van de discriminatoire wetten in het land. Desalniettemin is de staat uiterst argwanend ten opzichte van deze organisaties, want overtuigd dat vrouwenactivisten de voorhoede zijn van een soort fluwelen revolutie. De prijs die Abbasgholizadeh en andere vrouwen hiervoor betalen is arrestatie en opsluiting, aldus Coleman.

Ondanks de moeilijke en kleine ruimte waarbinnen de verschillende feministen in Iran moeten maneuvreren, kan volgens Coleman duidelijk worden gesteld dat het islamitisch feminisme een uiterst belangrijk middel is om een gemeenschappelijke grond te vinden tussen traditionalisten, conservatieve vrouwen en de meer progressieve en seculiere vrouwen in Iran. Allemaal verschillende vrouwen die elkaar tijdens de revolutie met minachting en wantrouwen bejegenden en die nu samenwerken.

Conclusie

Deze vorm van bruggen bouwen — dit creëren van een constructief wij — is juist hetgeen De Beauvoir miste bij de vrouwen uit haar tijd. Het ontbreken van samenwerking en solidariteit met álle vrouwen zag zij als een van de oorzaken van de hardnekkige eeuwenlange onderdrukking van de vrouw. In de geschiedenis beschikten vrouwen niet over concrete middelen om zich aaneen te sluiten tot een hechte eenheid tegenover het onderdrukkende patriarchaat, maar dat is — zeker vandaag de dag — niet langer het geval. In deze zin, zo meen ik, kan het islamitisch feminisme worden beschouwd als een concreet middel voor vrouwen om samen met mannen een groep te vormen en als groep op te treden tegen sociale en wettelijke ongelijkheid. En dit allemaal ondanks diversiteit en pluraliteit.

Een van De Beauvoirs conclusies in De Tweede Sekse is dat het van de vrouw een grotere morele inspanning vereist dan van de man om de weg der onafhankelijkheid te kiezen. Dit is duidelijk zichtbaar aan het feminisme in Iran. Met een uitzonderlijke veerkracht hebben Iraanse vrouwen in de afgelopen 160 jaar een vastberaden en onwrikbare strijd gevoerd voor hun wettelijke rechten, sociale kansen en vrijheid. Deze strijd kan worden gezien als één grote doorlopende campagne tegen de inhumane gender-discriminatie. Een campagne die steeds opnieuw dezelfde obstakels uit de weg moet ruimen. Te vaak zijn eenmaal behaalde resultaten en verbeteringen weer teniet gemaakt door een uiterst misogyn en vrouwonvriendelijk patriarchaat dat de vrouwen wil controleren. Niet alleen geven de Iraanse vrouwen de strijd niet op, zij hebben zelfs een instrument gevonden — het islamitisch feminisme — waarmee zij bruggen bouwen met andere vrouwen en mannen. Ze creëren het noodzakelijke constructieve wij  en zijn op deze manier een gezamenlijke strijd aan het voeren. De lange geschiedenis van het feminisme in Iran in combinatie met de methode van het islamitisch feminisme laat daarom ook zien dat empowerment en emancipatie in Iran geen westerse seculiere concepten zijn die van buitenaf worden opgelegd.

Naar mijn mening is het westers liberale feminisme in een stagnatie terechtgekomen. Het louter willen beschermen van individualisten en hun individuele rechten heeft een blinde vlek laten ontstaan. De meeste vrouwen in het Westen denken dat wij vrouwen er al zijn, dat wij al lang geëmancipeerd en onafhankelijk zijn. Het is alsof je de Duitse idealistische filosoof Hegel hoort zeggen dat onze westerse en liberale vorm van samenleving het einde van de geschiedenis is, in dit geval de geschiedenis van het feminisme. Dit is allerminst het geval, immers: patriarchy dies hard! In mijn ogen dragen veel westerse vrouwen een onzichtbare sluier en dat is hen niet eens bewust. Men hoeft alleen maar te kijken naar reclamespotjes, billboards, films en modeshows om met een kritische blik te zien dat de vrouw nog steeds afgebeeld wordt als object voor de man. En dat wordt dan gerechtvaardigd met de mythe van de mooie, sexy en daardoor pas echt geëmancipeerde vrouw. Bovendien is de participatie van vrouwen op het niveau van politiek en bestuur nog steeds iets dat door mannen verdekt tegen wordt gehouden, ondanks de inmiddels meer dan gelijke aantallen afgestudeerde en hoger opgeleide vrouwen.

Helaas overheerst het algemene denken in het Westen dat de enige manier waarop islamitische vrouwen kunnen worden bevrijd van hun onderdrukkers het elimineren van religie überhaupt is. Door een volledig eenzijdige en verkeerde beeldvorming worden moslims afgebeeld als onverlichte barbaren en achtergebleven mensen die niet in staat zijn tot democratie en vrijheid. Het gevolg van de mythe van de moslim als de Ander brengt telkens weer de wereldstabiliteit in gevaar waarbij oorlogen vooral desastreuze gevolgen hebben voor vrouwen, zeker gezien het feit dat verkrachting nog steeds een van de meest effectieve oorlogswapens is. Zou het daarom niet beter zijn als westerse feministen leren van het islamitisch feminisme en beginnen met allereerst een gevoel van solidariteit op te brengen voor andere vrouwen? En dan wel op mondiaal niveau ongeacht de etnische, religieuze en economische achtergronden? Is er wellicht niet ook een les te leren van de dedicatie en vitaliteit waarmee Iraanse vrouwen blijven strijden wat aantoont dat sociale grassroots bewegingen — en niet slechts een gelijktrekking van juridische rechten — zelfs de meest repressieve regimes kan overleven? Hetgeen dit grassroots activisme namelijk vooral beoogt, is een volledige maatschappelijke bewustwording en gevoeligheid voor vrouwenkwesties met als gevolg een verandering van meningen, opvattingen, sociale contexten, instellingen, zeden en vooral de culturele en symbolische beelden (de mythen) — kortom: heel het maatschappelijk bestel. En precies dit is De Beauvoirs prescriptie voor het beëindigen van de mondiale gender-ongelijkheid. Al is het hier in het Westen niet zichtbaar — en is ook de Iraanse regering nog te arrogant dit te zien — maar de samenleving in Iran is aan het veranderen. Mannen strijden zij aan zij met vrouwen tegen vrouwenonderdrukking en ongelijkheid, omdat ze beseffen dat dit ook hun vrijheid en onafhankelijkheid insluit.

Graag wil ik afsluiten met een van de meest actuele manieren waarop vrouwen in Iran hun zachte protest tegen de ongelijke patriarchale wetten kenbaar maken: My Stealthy Freedom — mijn geheime vrijheid.