Het kritische en dus metafysische denken van Hannah Arendt

kritisch denken
Hannah Arendt: "Niemand hat das Recht zu gehorchen." — No one has the right to obey. (Patrik Wolters - see Wikipedia

Op 16 november 2016 vond in De Balie in Amsterdam de laatste editie plaats van de serie Grote Denkers — een programmareeks waarin inspirerende vrouwelijke schrijvers/denkers uit de wereldgeschiedenis centraal staan. Vrouwen die stuk voor stuk onze kijk op de wereld hebben veranderd en teksten schreven die vandaag de dag nog steeds tot de verbeelding spreken. Op deze novemberavond mocht ik samen met de filosofen Nanda Oudejans en Marieke Borren stil staan bij het leven, het gedachtegoed en de hedendaagse relevantie van een van mijn meest dierbare dode oude vrienden die ik beschouw als een licht in het donker: Hannah Arendt (1906-1975). We probeerden te beantwoorden waarom haar gedachtegoed zo relevant blijft en hoe we haar ideeën over “politiek”, “handelen”, “verantwoordelijkheid” en “het recht om recht te hebben” kunnen gebruiken om te kijken naar onze samenleving. Vooral ging het ook om de vraag hoe Arendt zou hebben gekeken naar huidige politieke kwesties, zoals het populisme, de ‘vluchtelingencrisis’ — die ik de mensenrechtencrisis noem — en dus de uitsluiting van minderheden.

Het was een uiterst boeiende avond die hier terug te zien is. In de aanloop naar het programma werd er op 10 november — ook in De Balie — de Hannah Arendt leesclub georganiseerd onder leiding van Persis Bekkering, Matthea Westerduin en Megan Milota waarvoor ik de inleiding mocht verzorgen die ik nu hier publiceer.


Het eerste boek dat ik van Hannah Arendt heb gelezen, was Eichmann in Jerusalem — A Report on the Banality of Evil. Tijdens mijn master-jaar aan de Universiteit van Amsterdam wilde ik in eerste instantie een scriptie schrijven over ‘het kwaad’. Aangezien Arendt daar veel over heeft geschreven, begon ik steeds meer van haar boeken te lezen. Nadat ik haar trilogie The Origins of Totalitarianism had gelezen, besloot ik echter mijn scriptieonderwerp niet alleen te laten gaan over ‘het kwaad’, maar vooral over het denken van Arendt zelf.

Ik nam een jaar de tijd om heel intensief haar héle oeuvre te lezen. Niet alleen haar boeken, maar ook haar briefwisselingen en zelfs gedeeltes van haar Denktagebuch. Dit denkdagboek is tot op de dag van vandaag voor mij een zeer waardevol filosofisch werk dat ik vaak weer in handen neem als ik iets onderzoek en ineens denk: “Wat zou Arendt hierover hebben gedacht?”

Wat voor een denker is Arendt?

Hoe meer ik me verdiepte in haar gedachtengangen, hoe duidelijker het voor me werd dat Arendt een metafysische denker is. Dit werd dan ook het definitieve onderwerp van mijn masterscriptie. De eerste vraag die nu wellicht opkomt bij sommigen van u is: “Wat is metafysica?” Ik hoop dat mijn korte lezing vandaag deze vraag een beetje kan beantwoorden. Voor nu wil ik alleen aangeven dat wat ik met mijn scriptie probeerde aan te tonen best controversieel is. Controversieel, omdat de meeste Arendt-kenners er juist van overtuigd zijn dat zij de metafysica volledig afwees. Maar is dat wel zo? Wees zij de filosofie in het algemeen en de metafysica in het bijzonder daadwerkelijk af? Als dat zo is, wat voor denker is zij dan wel?

In de immense overvloed aan literatuur die er inmiddels bestaat over haar gedachtegoed is het niet makkelijk een eenduidig antwoord te vinden op deze vraag. Zowel gedurende haar leven als ook sinds haar dood zijn er veel waarderingen afgegeven over haar intellectuele, filosofische en politieke beschouwingen. Waarderingen die vaak ook tegenstrijdig zijn. Zo werd en wordt zij onder andere gezien als:

  • een politieke theoreticus;
  • een kritische filosoof;
  • een erfgenaam van de Duitse denktraditie;
  • een denker die het joodse filosoferen voortzet;
  • een conservatief;
  • een liberaal;
  • de meest invloedrijke politieke denker van de Twintigste Eeuw;
  • een politieke denker met een oorspronkelijke geest;
  • een tegendraadse denker;
  • een journalist en dus helemaal geen filosoof.

Dit geeft, denk ik, al een aardig beeld over de verdeeldheid die er bestaat rondom Arendt als persoon én als filosoof. En dan kom ook ik er nog eens om de hoek kijken met mijn waardering van haar als metafysicus. Maar hoe dacht ze er zelf over? De zoektocht naar een antwoord op deze vraag werpt vruchten af, aangezien zij zelf vaak hierover heeft geschreven en er ook over heeft gesproken in interviews die gelukkig nog bewaard zijn gebleven.

Echt kritisch kan je in feite alleen maar zijn over iets dat er al is

Het is waar: ze wees de titel filosoof af. Maar tegelijkertijd wees zij ook de uitdrukking ‘politieke filosofie’ af. Voor mij is dit een teken van haar kritische houding ten opzichte van de politieke, de filosofische en de metafysische traditie. Maar: een kritische houding mag nimmer gelijk worden gesteld aan een volledige afwijzing. En precies dit aspect is uiterst betekenisvol. Betekenisvol voor mij en mijn manier van filosofisch denken. Want een metafysisch denken betekent voor mij allereerst het aannemen van een kritische houding. Echt kritisch kan je in feite alleen maar zijn over iets dat er al is. Iets dat in de historie — in de traditie dus — is ontstaan en dat ertoe heeft geleid dat de wereld vandaag de dag is zoals zij is.

En dit is exact hetgeen Arendt doet. In heel haar oeuvre analyseert zij telkens weer de traditionele voorstellingen van dingen om twee zaken te laten zien. Aan de ene kant de manier waarop het traditionele politieke denken — onder de invloed van de filosofie — nooit een zuiver begrip van het politieke heeft gevormd. En aan de andere kant dat het traditionele filosofische denken nooit de activiteit van het denken zelf tot onderwerp van het denken heeft gemaakt.

Hier wordt duidelijk dat Arendt zich sterk identificeerde met een politiek engagement. Het is belangrijk te weten dat haar definitie van ‘politiek’ afwijkt van de algemeen gehanteerde begripsbepaling. In Was ist Politik? — Wat is politiek? — zegt zij [vrij vertaald door mij, HD]:

Politiek gaat om het samen en met elkaar zijn van de Verschiedenen — de verscheidenen.

Van mensen dus die van elkaar verschillen. Arendts uitgangspunt is dat ieder mens uniek is en dat we slechts twee dingen met elkaar delen: het mens-zijn en het feit dat we dezelfde aarde met elkaar delen en zodoende ook de wereld die door ieder van ons elke dag wordt gevormd. Arendts onderscheid nu tussen filosofie en politiek is een onderscheid tussen het denken in de privésfeer en het handelen in de publieke ruimte. Dit onderscheid loopt als een rode draad door al haar teksten. Ze constateert dat deze twee menselijke vermogens al sinds Plato op een gespannen voet staan met elkaar. Bij de meeste filosofen uit de traditie is er zelfs sprake van een soort vijandigheid tegen de politiek en dus het publieke leven. Precies deze vijandigheid is het waar ze geen deel aan wil hebben, omdat we de wereld vormgeven met ons handelen.

Haar kritiek op de metafysica richt zich dus voornamelijk op het in haar ogen onterechte primaat van het denken boven het handelen. En haar kritiek op de politieke filosofie is dat ook dit denken zich niet, of slechts marginaal, heeft bezig gehouden met het menselijke handelen. Wat raar is, aangezien het handelen toch het hoofdonderwerp zou moeten zijn van elk politieke denken.

Pluraliteit als normativiteit

Steeds weer benadrukt Arendt de menselijke pluraliteit. Pluraliteit betekent voor haar enerzijds dat we, zoals al gezegd, de wereld delen met anderen en dat we daardoor in relatie staan tot anderen, en wel via ons handelen. Anderzijds betekent pluraliteit ook dat we in relatie staan tot onszelf als we ons terugtrekken uit de fenomenale wereld en in een tweegesprek met onszelf beginnen met de activiteit van het denken. Voor Arendt is pluraliteit echter vooral een normatief iets. Pluraliteit als normativiteit drukt uit dat het haar te doen is om de noodzakelijkheid van een moreel goed handelen in de publieke ruimte. Dat deze noodzakelijk voortdurend urgent is, heeft te maken met het feit dat de resultaten van het menselijke handelen vluchtig zijn. Niet duurzaam.

We kunnen dus veronderstellen dat het haar in feite gaat om het menselijke vermogen goed van kwaad, ofwel recht van onrecht, te onderscheiden. Als we nu tevens veronderstellen dat een dergelijk beoordelingsvermogen alleen mogelijk is wanneer we beschikken over sterke, stabiele en niet te corrumperen normen en waarden, dan komen we terecht in het gebied van de metafysica. Een gebied waarin er sprake is van een normativiteit die buiten de mens ligt. Die dus transcendent is aan de mens, aan het individu. We leven immers in veranderlijke en vergankelijke lichamen. Ook leven we in een wereld die voortdurend verandert. Daarom zullen we de voor onze moraliteit zo urgente sterke normen niet in onszelf, noch in onze empirische wereld kunnen vinden. Al het empirische is namelijk per definitie onstabiel en vergankelijk.

Uitgaande van deze veronderstellingen en gezien het feit dat er in Arendts gehele werk uiterst concrete, niet te negeren en daarom juist zeer ernstig te nemen aanwijzingen en uiteenzettingen opgeborgen liggen die wijzen op een metafysisch denken, beschouw ik haar als een metafysicus. Wat Arendt afwijst is niet de metafysica, maar dat wat zij de ‘metafysische dwalingen of drogredenen’ noemt. Daarbij verweert ze zich tegen de grondvergissing dat het bij de metafysische — en dus kritische — vragen zou gaan om het vinden van waarheid. Niet waarheid, maar betekenis is het waar deze vragen naar zoeken. Daar komt nog bij dat Arendt terecht ziet hoe de metafysica het in onze tijd afgedaan heeft. De traditionele systemen en doctrines blijken niet langer overtuigend te zijn voor de moderne mensen,

Dat hindert haar echter niet aan om in haar denkweg over het zuivere denken — een vraag die ze zich in haar laatste werk The Life of the Mind stelde — juist de volgende metafysische vragen te stellen:

Wat is denken? Wat doen we als we denken? Waar zijn we als we denken?

Door zich bezig te hebben gehouden met deze vragen, kwam ze tot het inzicht dat het niet gaat om de activiteit van het denken, maar om de ervaring van het denken en de relatie van deze ervaring met onze oordeelskracht. Die oordeelskracht is nodig om tot een moreel goed handelen te kunnen komen.

De relatie tussen de ervaring van het denken en de menselijke oordeelskracht

Ook de vraag “Wat is oordelen?” is een metafysische vraag en in samenhang daarmee staat het criterium dat nodig is voor een moreel goed oordeel. Inmiddels weten we dat dit voor Arendt de norm van de pluraliteit is. Mijn reis door Arendts denken heeft me laten concluderen dat haar hele oeuvre door haar laatste werk in het licht staat van kritische en dus metafysische beschouwingen. Hierdoor worden ook haar soms moeilijk te begrijpen politieke theorieën toegankelijker. Het metafysische denken is te allen tijde gericht op betekenis en zingeving. En zingeving wordt urgent in momenten van crisis. In momenten waarop de vraag opkomt: “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?”

Ons denken en ons handelen ontspringen volgens Arendt altijd uit deze momenten van crisis. Uit de problematische ervaringen dus die we maken in de wereld. Ons denken en ons handelen hebben bovendien een talig karakter. Ze ontspringen uit de meest politieke handeling überhaupt: het spreken. Hierover zegt zij:

All thought starts and departs from everyday speech. The need to think arises whenever we find that words taken in their ordinary sense are obscuring rather than revealing. The proces of clarification that occurs in the thinking process comes through distinctions.

We kunnen tot helderheid komen als we in ons denken onderscheidingen aanbrengen over iets. En dit aanbrengen van onderscheidingen is iets dat Arendt voortdurend heeft gedaan in haar zoektocht naar antwoorden op de metafysische vragen. Ongeacht over welke onderwerpen zij telkens weer nadacht. Vragen die zij probeerde te doorgronden middels haar vele kunstfilosofische essays die zij zelf ‘denkoefeningen’ noemde.

Een van die essays staat op de leeslijst van deze leesclub: Die Lüge in der Politik De leugen in de politiek. Daarin stelt Arendt vast dat waarachtigheid nog nooit behoorde tot de politieke deugden en dat de leugen altijd al een veroorloofd middel in de politiek was. Maar, wat precies is een leugen? Zie hier de metafysische vraag. Met een helderheid die zo kenmerkend is voor Arendts manier van denken en schrijven begint zij deze vraag te beantwoorden. Ze neemt ons mee in haar denken:

Een leugen is het menselijke vermogen om in gedachten en woorden feiten te ontkennen. Daarbij verschilt dit actieve en agressieve vermogen in zijn geheel van onze passieve vatbaarheid voor vergissingen, illusies, fouten in onze herinneringen en al datgene dat we ten laste kunnen leggen aan het tekortschieten van onze zin- en denkorganen.

Wat erbij komt is iets dat ze nataliteit noemt. Nataliteit is de wezenlijke eigenschap van het menselijke handelen en behelst het vermogen met elk handelen iets nieuws te beginnen. Iets nieuws te beginnen betekent echter niet dat we in staat zouden zijn iets ex nihilo — uit het niets — te kunnen scheppen. Geenszins. Om ruimte te kunnen winnen voor een nieuw handelen, moet er eerst iets dat er al is, worden verwijderd, of vernietigd. En dit betekent dat de toestand, of de staat, van dingen wordt veranderd. Deze verandering is alleen mogelijk doordat we beschikken over het vermogen ons in onze geest te verwijderen van onze fysieke locatie door ons voor te stellen dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn dan dat zij daadwerkelijk zijn.

Wat Arendt hier stap voor stap laat zien, is dat we beschikken over twee vermogens die een rol spelen in de beantwoording van de vraag naar de leugen. Enerzijds is er het vermogen bewust feiten te verloochenen, ofwel: het vermogen tot liegen. Anderzijds is er het vermogen de werkelijkheid te veranderen, ofwel: het vermogen tot handelen. En deze twee vermogens staan in verband met elkaar. Zij ontspringen namelijk uit dezelfde bron, zijnde onze voorstellingskracht.

Politiek is niets anders meer dan 50% imagovorming en 50% gerichte reclame voor dit imago

Bovendien zijn we vrij om de wereld te veranderen en in haar iets nieuws te beginnen. Deze vrijheid — die Immanuel Kant de vrijheid van het denken noemt — is onze vrijheid van de geest om ja of nee te zeggen. Om de werkelijkheid te accepteren óf te verwerpen. Om hetzij onze instemming hetzij onze afwijzing kond te doen als het gaat om voorstellen of uitspraken, of om de dingen zoals die zich vertonen aan onze zintuigen en kenorganen. Zonder deze vrijheid van de geest zou elk handelen onmogelijk zijn. Maar handelen is voor Arendt het eigenlijke werk van de politiek. Elk handelen — en dus ook spreken — in de gedeelde ruimte die er is tussen de mensen is voor haar een politieke daad. En toch gaat het uiteindelijk in dit essay specifiek over een kritiek van de leugens van de beroepspolitici. Mensen dus die beschikken over de macht van de staat.

De kunst van het liegen kent verschillende vormen die in het verleden zijn ontwikkeld. Arendt ziet echter hoe er in onze tijd twee nieuwe varianten zijn ontstaan. Ten eerste is er de schijnbaar onschadelijke vorm van de Public Relations (PR) Manager in de regering. Deze manager — tegenwoordig heet die spindoctor — is in de leer gegaan bij marketing- en reclame-experts. PR is te danken aan de consumptiemaatschappij en haar mateloze honger naar koopwaar die door de markteconomie aan de man gebracht moet worden, zo stelde Arendt in 1971 vast. En daaraan is tot op heden helemaal niets veranderd. Sterker nog: het is alleen maar erger geworden.

Wat Arendt aan de mentaliteit van deze PR mensen onplezierig en uiterst onaangenaam vindt, is dat het hen alleen maar te doen is om meningen en een ‘goede wil’. Ze willen dus een bereidwilligheid kweken bij mensen om ongrijpbare dingen te kopen, dingen waarvan de concrete werkelijkheid minimaal is. Denk bijvoorbeeld aan de marketing van dag- en nachtcrèmes. Hoe concreet is de werkelijkheid van dit verschil in gezichtscrèmes? De uitvindingen van deze PR mensen schijnen geen grenzen te kennen wat Arendt tot de conclusie brengt dat zij de macht van de politicus om te handelen, om iets te scheppen, ontberen.

Hierdoor ontbreekt het hen ook aan de simpele ervaring dat de werkelijkheid grenzen stelt aan die macht. Deze sfeer en imaginaire fantasiewereld van de reclame is doorgedrongen tot de politiek. Politiek schijnt alleen maar nog te bestaan uit 50% imagovorming en 50% gerichte reclame voor dit imago.

De beroepsmatige ‘probleem-oplosser’ en zijn speltheorieën

De tweede nieuwe variant van het liegen komt niet zo vaak voor in het dagelijkse leven. Het gaat om de beroepsmatige ‘probleem-oplosser’ die de regeringen in dienst nemen. Dit type mens houdt zich bezig met speltheorieën en systeemanalysen — theorieën die helemaal niets te maken hebben met de werkelijkheid — om zodoende de ‘problemen’ van de buitenlandse politiek op te lossen. Speltheorieën ziet Arend als een minachting van de ervaring en als een ontbreken van bereidwilligheid om de werkelijkheid zelf te raadplegen, daar lering uit te trekken en zodoende te komen tot relatief redelijke en relatief kloppende ervaringsoordelen. Maar de probleem-oplossers zijn zelden kritisch — ze twijfelen vooral niet aan de eigen meningen, want ze beschikken over een enorm zelfvertrouwen. Bovendien werken ze vaak samen met militairen. Met mannen dus waarvan gezegd wordt dat ze gewend zijn te winnen.

De probleem-oplossers spelen vaak jarenlang het spel van misleiding en onwaarachtigheid. Wellicht liegen ze vanuit een verkeerd begrepen patriotisme. Echter, beslissend is voor Arendt dat deze mensen niet zo zeer voor hun vaderland en zeker niet voor zijn overleven liegen, maar enkel voor zijn ‘image’. Denk daarbij aan George W. Bush en Tony Blair en hun leugens om Irak binnen te vallen. Politiek is zodoende alleen maar nog een vorm van PR met verstrekkende gevolgen die voortvloeien uit de minachting van de werkelijke gevolgen van een handeling.

“Imagovorming als wereldpolitiek” noemt Arendt dit fenomeen. Het gaat niet om wereldverovering, maar om de overwinning van de reclamestrijd om de wereldmening. Deze conclusies trok Arendt vooral na het bestuderen van de Pentagon Papers. Wat daar frappant aan is, is de enorme afstand tot de realiteit, tot de werkelijkheid en dus de feiten van deze wereld. Deze niet-verhouding tussen werkelijkheid en politieke besluiten, tussen de geheime diensten en de civiele en militaire instanties, is het meest betekenisvolle dat in de Pentagon Papers zichtbaar werd voor haar. En dat is: de koppige en principiële minachting van alle historische, politieke en geografische feiten gedurende meer dan vijfentwintig jaar. En in feite dus de minachting van de pluraliteit van deze wereld.

De minachting van de pluraliteit in de wereld

Ik denk dat we in onze huidige tijd de beste — helaas — voorbeelden live meemaken als het gaat om deze imagovorming, deze leugen, deze onwaarachtigheid en deze afstand tot de werkelijkheid in de politiek. Kijk naar de PVV van Geert Wilders, maar ook naar de andere partijen die zich nu bewapenen voor hun campagnestrijd. Kijk naar de verkiezingscampagne en de verkiezingsuitslag in de Verenigde Staten.

Voor mij is het nu meer dan urgent om Arendts gedachtegoed, haar manier van denken en haar kritiek weer serieus door te lezen en te delen in de wereld. Als we dit doen, kunnen we misschien voorkomen om op een gegeven moment weer volledig ontdaan te moeten vragen: “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?” Wellicht kunnen we dan ervoor zorgen om de in de historie reeds gemaakte grote fouten, niet meer te maken.


 

Tags from the story
, , ,
More from Heidi Dorudi

Het representatieve denken van de wereldburger

Willen we echt kritisch denken, dan moeten we gebruik maken van onze...
Read More