Paradigma: de politie handhaaft enkel de rechtsorde

politie

Op donderdag 7 juli 2016 heeft de Amerikaanse politie in Dallas, Texas een ‘bomrobot’ ingezet om Micah Johnson — de man die verdacht (!) werd de sluipschutter te zijn die 5 agenten heeft doodgeschoten — uit te schakelen. Johnson overleed nog voordat de rechtsorde in werking kon treden: we zullen nooit te weten komen of hij daadwerkelijk de verdachte sluipschutter was en als hij het wel was, dan zal het nooit meer tot een rechterlijke verordening kunnen komen. Dit is dan ook de reden dat er veel kritiek is geuit op deze gang van zaken — zie onder andere hieren hier. Mijn eigen eerste reactie was vergelijkbaar: hier is sprake van de militarisering van de politie die daardoor steeds meer rechtzettend wordt in plaats van enkel rechthandhavend. Deze militarisering is overigens niet alleen een Amerikaans fenomeen, maar ook in Nederland steeds zichtbaarder. Niet alleen in de uiterlijkheid van de nieuwe politieuniformen, maar tevens in het openbare gebruik van mitrailleurs — oorlogswapens dus — door de politie.

Dat het onderscheid tussen de macht van rechtzetting en die van rechthandhaving binnen het instituut politie op ‘spookachtige’ wijze verdwijnt, is een fenomeen dat Walter Benjamin reeds in 1921 heeft opgemerkt. Zijn uiterst scherp essay Zur Kritik der Gewalt — waarbij Gewalt in deze niet moet worden vertaald met ‘geweld’, maar met ‘macht’ of ‘machtsgebruik’ — is een filosofisch onderzoek naar het fenomeen macht en de betekenis ervan op individueel en maatschappelijk niveau. Daarbij gaat het hem in het bijzonder om de relatie die er bestaat tussen macht en het recht.

Recht en gerechtigheid

In de meest algemene zin is de macht, of het machtsgebruik, van het recht een ingreep in het morele domein van mensen. Anders gezegd, gaat het om het gebied van de ethische verstandhoudingen binnen de maatschappij en dan vooral met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke ongeschondenheid van mensen. Deze sfeer van het morele kan het beste worden omschreven met de begrippen recht en gerechtigheid, waarbij recht zeker niet hetzelfde is als gerechtigheid. Maar zowel recht als gerechtigheid stellen de doelen van de mensen vast. Daarbij is macht nooit het doel, maar altijd enkel het middel om die doelen te realiseren. Iets als een middel te gebruiken, betekent een intentie — een waartoe — te verwerkelijken. De doelen van het recht zijn dus de normatieve oriëntatie van de rechtsorde en elke normativiteit is per definitie iets waartoe ik me verhoud in de vorm van een erkenning ervan. Zodra mij echter een normativiteit wordt opgelegd, dan is er sprake van dwang.

Daarom is Benjamins kritiek van macht in eerste instantie een kritiek van de middelen die een staat inzet om haar doel — het instandhouden van de rechtsorde — te realiseren. Welke middelen zijn in dit kader toelaatbaar en welke niet? Kan machtsgebruik überhaupt worden verantwoord? Zelfs als het doel rechtvaardig is? Vergeleken met de situatie in Dallas was het doel van de politie zeker rechtvaardig. Het ging immers om de ongeschondenheid van de agenten die op dat moment door een sluipschutter bedreigd werden. De vraag is echter: is het middel waarop dit doel gerealiseerd werd — de macht om een dodelijk oorlogswapen in te zetten tegen een burger — nog wel te verantwoorden als zijnde gerecht en dus moreel juist?

Het positieve recht als toevallige historische gewordenheid

Binnen de rechtsfilosofie is het positieve recht een andere naam voor de bestaande rechtsorde met als wezenlijk kenmerk het machtsmonopolie: alleen het recht beschikt over de gerechtvaardigde middelen van macht, zoals gevangenisstraf, boetes en in sommige landen nog steeds de doodsstraf. Hiermee wordt duidelijk dat er een onderscheid bestaat tussen gesanctioneerde (legale) macht en niet gesanctioneerde (illegale) macht. De macht van het positieve recht is dus altijd legaal, maar niet altijd rechtvaardig.

Deze onrechtvaardigheid berust op het feit dat de bestaande rechtsorde toevallig in de geschiedenis gegroeid is en enkel daardoor gelegitimeerd. Na een oorlog, of een ander conflict, stelt de overwinnaar namelijk het voortaan geldende recht vast. Het begrip ‘vrede’ heeft hier enkel de functie te bepalen wat voortaan geldig en dus rechtmatig is: legaal is wat voor de overwinnaar nuttig is, en verboden wordt al datgene dat juist een bedreiging vormt. Hiermee wordt de rechtzettende — oftewel wetgevende — functie van de macht van het recht zichtbaar: er worden nieuwe rechten ingesteld die vanaf dat moment zowel voor de overwinnaar als voor de verliezer geldig zijn. Echter, een keer gesanctioneerd, ziet het recht in het machtsgebruik van individuen een gevaar die deze rechtsorde zou kunnen ondermijnen. Vandaar het belang van het recht om het machtsgebruik te monopoliseren en hieruit blijkt dan ook de tweede functie van het machtsgebruik: de rechthandhaving — oftewel de uitvoerende macht.

Beslissend voor Benjamins kritiek van de macht is deze procedure van het positieve recht. Zijn de middelen namelijk eenmaal gekozen, en is deze democratische procedure eenmaal gevestigd, dan wordt machtsgebruik een gewoonte. Daardoor is de staatsmacht legitiem (rechtmatig) en niet langer problematisch, want de doelen spelen op dat moment geen rol meer.

Het instituut politie

Wat Benjamin in feite laat zien, is dat rechtsordes nooit vrij zijn van machtsgebruik en dat de toevallig historisch gegroeide macht op het punt van rechtzetting en rechthandhaving een ambigue aangelegenheid is. Als een recht wordt gesteld, dan kan dat namelijk niet los worden gemaakt van de machtspositie van degene die het recht instelt. Hetzelfde geldt ook voor de rechthandhaving. Hierbij komt dat ondanks de liberaal democratische scheiding van de machten, deze scheiding binnen het instituut politie opgeheven is als het gaat om de twee machten van rechtzetting en rechthandhaving.

De rechtzettende macht moet zich met de overwinning van een oorlog of conflict legitimeren, terwijl er van de rechthandhavende macht in feite geëist wordt geen nieuwe rechtsdoelen te zetten. Echter, de politie lijkt van deze twee voorwaarden geëmancipeerd te zijn. Benjamin stelt vast dat de doelen van de politionele macht niet identiek zijn aan de doelen van het recht, sterker nog: ze zijn niet eens met elkaar verbonden. Het “recht” van de politie kenmerkt zich daardoor dat de staat uit welke redenen dan ook zichzelf niet meer kan garanderen door de bestaande rechtsorde. Daarom treedt de politie op in talloze situaties waar er geen duidelijke rechtspositie bestaat, en wel uit redenen van “de veiligheid.” Denk daarbij aan onder andere de verregaande politiesurveillance, etnische profilering, de al maandenlang durende noodverordening in Frankrijk, de manier waarop Alton Sterling en Philando Castile zijn doodgeschoten, en de inzet van oorlogswapens tegen burgers.

Benjamin typeert de macht van het politionele instituut als iets dat geen gestalte heeft. Het is een spookachtige verschijning in het leven van elke geciviliseerde staat. Uiteindelijk is elke macht als middel hetzij rechtzettend, hetzij rechthandhavend. Een macht die geen van deze functies vervult, doet in feite afstand van alle geldigheid en kan zich daarom ook nimmer legitimeren. Hieruit volgt echter dat elke macht als middel, zelfs in het gunstigste geval, altijd deel heeft aan de problematiek van het recht zelf, en dat is dat elke rechtsorde toevallig historisch gegroeid is op basis van een overwinning binnen een oorlog of een conflict.

De relativiteit van de democratie

Hiermee wordt aanschouwelijk dat het concept van de liberale democratie, en de erbij horende rechtsorde van de rechtsstaat, relatief is en dus nimmer absoluut. Als het dan gaat om het gebied van de moraliteit en de lichamelijke en geestelijke ongeschondenheid van mensen, dan rijst de vraag of er geen andere middelen bestaan dan die van de macht van het recht om de tegenstrijdige belangen van mensen te kunnen regelen.

De recente gebeurtenissen — in de Verenigde Staten, maar ook hier in Nederland —, die de Black Lives Matter-bewegingen weer tot leven hebben gebracht, laten zien dat de politie uiteindelijk een weerspiegeling is van de staat en de bestaande rechtsorde. Precies daar moet dan ook het echte probleem worden gezocht. Het is hetzelfde probleem dat ook ten grondslag ligt aan de besluiten om de politie steeds meer te militariseren: een diep gezeteld, systemisch en dus geïnstitutionaliseerd racisme dat zich ook in de wereldpolitiek telkens weer laat zien. Het is de superieure houding tegenover de Ander die zwart is, die moslim is, die niet wit is en daarom minder is. Voor de gevaren van deze attitude waarschuwde Alber Einstein reeds in 1946 in deze prachtige tekst:

I believe that whoever tries to think things through honestly will soon recognize how unworthy and even fatal is the traditional bias against Negroes.

What, however, can the man of good will do to combat this deeply rooted prejudice? He must have the courage to set an example by word and deed, and must watch lest his children become influenced by this racial bias.

I do not believe there is a way in which this deeply entrenched evil can be quickly healed. But until this goal is reached there is no greater satisfaction for a just and well-meaning person than the knowledge that he has devoted his best energies to the service of the good cause.


Dit artikel is oorspronkelijk verschenen bij Vileine.com.


 

Tags from the story
, , ,
More from Heidi Dorudi

De bezetting van de traditie – Feminisme in Iran 3

Deel 2 van dit drieluik sloot af met de definitie van het islamitisch...
Read More