We moeten onze eigen goden scheppen

eigen goden scheppen

Dat God dood is — sterker nog: we hebben hem zelf vermoord —, is Nietzsches diagnose van het nihilisme. Het nihilisme staat voor hem voor het geneutraliseerd worden van de normatieve oriëntatie van alle individuen binnen een samenleving. Vooral de moderne, geseculariseerd-christelijke samenleving beschouwt hij als een cultuur van decadentie en moreel verval. Het is een nihilistische samenleving die alleen nog bestaat uit getemde, kleinburgerlijke,  nette en fatsoenlijke mensen die als singuliere individuen geen beslissende rol meer hebben, aangezien het morele handelen gereduceerd is tot enkel het hebben van legale rechten en het volgen van wetten. Maar deze getemde mens kan voor Nietzsche nimmer het soevereine individu zijn, dat is de ‘vrije geest’ die juist als singulier individu een eigen normatieve oriëntatie heeft.

Nietzsche protesteert fel tegen de moderne Bildung, want deze algemene ontwikkelingscultuur kan in zijn ogen nooit vruchtbaar zijn. Hem gaat het telkens weer om singularisering waardoor het algemene per definitie secundair is. Als het gaat om nieuw leven, om worden dus en niet alleen om het loutere zijn, dan moeten wij als singuliere mensen, als soevereine individuen ofwel als Übermenschen diegene worden die we zijn. En dus moeten we scheppers worden, omdat we dan de natuur kunnen nemen zoals zij is: als simpelweg natuur. In de natuur zit namelijk geen teleologie, de natuur heeft geen doelen, er zijn geen natuurlijke wetten. En zo is er ook geen ‘mens in het algemeen’. ‘De mens’ als zodanig bestaat niet met als gevolg dat, zoals er geen natuurlijke ordening is in de wereld, er evenmin sprake is van een betrouwbare menselijke ordening. Het totale karakter van de wereld is dus in alle eeuwigheid chaos. Nimmer hebben we een vaste grond onder de voeten en bovendien is er ook geen vast bovenzintuiglijk oriëntatiepunt. God is immers dood.

Het totale karakter van de wereld is in alle eeuwigheid chaos

Vandaar Nietzsches pleidooi voor het grote nut van het polytheïsme waarbij het hem vooral gaat om de prachtige kunst en kracht om goden te scheppen. Dat God dood is, betekent dus niet dat daarmee ook de idee van goddelijkheid van het toneel is verdwenen. Maar de vele goden waar Nietzsche over spreekt, zijn mijn perspectieven, mijn inspiraties, mijn idealen en normen, en wel in meervoud. Teneinde tot een moreel goede handeling te komen in al die verschillende levenssituaties waarmee ik gedurende mijn leven geconfronteerd word, moet ik telkens weer nieuwe motivaties hebben, telkens weer opnieuw geïnspireerd raken en bewogen worden. Steeds weer en steeds opnieuw, omdat mijn leven niet statisch, maar dynamisch en voortdurend in beweging is. Het ontstaan van moraal is geen eenmalige zaak, maar een gebeuren dat telkens weer een kritische benadering van het verleden — van de zogenaamd gegeven objectieve standaarden — noodzakelijk maakt. Ziedaar het grote nut van de veelheid aan goden in plaats van slechts die ene monotheïstische God.

Essentieel aan dit gebeuren van inspiratie is een passief element. Ik kan niet zeggen ‘ik ga nu actief inspiratie doen!’ Inspiratie is iets dat me moet overkomen, ik moet geïnspireerd ‘raken’ en dit ‘raken’ kan ook worden omschreven als transcendentie. Dit is dan ook de reden waarom Nietzsche het heeft over goden als het gaat om de dingen waarop ik me als individu oriënteer. Een oriëntatie die ik vervolgens cultiveer en in ere houd. Daarbij komt mijn motivatie niet voort uit een soort algemene ontwikkeling of een algemeen regime zoals de huidige algemene God die ík de naam neoliberaal kapitalisme geef.

Deze neo-patriarchale God gaat samen met normen en waarden als consumptie, economisering, rendementsdenken, kwantificiering, targets en valorisatie met als ultiem ideaal de ‘oneindige economische groei’. Zolang de rendementsgod in leven wordt gehouden — vaak met vooral lege retoriek en het geïnstitutionaliseerde vaste geloof in de vrije marktwerking met haar vrije prijsmechanisme —, net zolang wordt men niet geconfronteerd met de aan de wereld inherente chaos, omdat men dan een door de economische religie gegeven en ingevulde levensoriëntatie in handen heeft. Een op consumeren gebaseerde levensoriëntatie die een soort kapstok is waar alles aan kan worden opgehangen. Het is geen eigen of authentieke levensoriëntatie, omdat zij zich richt naar een fictief ideaal dat verzonnen is door de machthebbers binnen dit kapitalistische en nihilistische regime. Een ideaal dat zich als een wurm doorvreet door zelfs ons academische leven.

Bovenal is deze levensoriëntatie een eenmalige zaak die nooit aan de dynamiek van het leven kan beantwoorden zoals de eigen horizonnen dat wel kunnen. Nietzsche omschrijft de eigen levensperspectieven als korte gewoontes en onschatbare middelen die komen en weer vergaan. Dus ook voor deze goden geldt de dood van God. Ze zijn telkens voorbijgaand en nimmer voor eeuwig. Gelukkig niet, mijn leven zou dan immers tot stilstand komen, omdat ik dan nooit van mening zou kunnen veranderen, noch tot nieuwe inzichten zou kunnen komen of een ander nieuw levenspad zou kunnen bewandelen.

Nietzsche omschrijft de eigen levensperspectieven als korte gewoontes

We moeten dus goden scheppen. Telkens weer moeten we als soevereine individuen onze meningen zuiveren en ons beperken tot het scheppen van eigen nieuwe waarden. Er is geen waartoe van de moraal, maar dat betekent niet dat de moraliteit zelf een gepasseerd station is voor Nietzsche. Allerminst! Juist nu de rendementsgod stervende is, juist nu we steeds meer beseffen dat het neoliberale kapitalisme niet alleen geen ordening schept in de chaos, maar tot steeds meer wanorde leidt, juist nú moeten we aan het werk en nieuwe waarden gaan scheppen. Maar dan zonder enige zogenaamd vaste of gegeven objectieve oriëntatie.

De grote winst hierbij is dat de horizon van de dode neo-patriarchale God nu leeg wordt en vrij als een open zee voor ons komt te liggen. Ja, we dwarrelen boven de chaos en tegelijkertijd kan de vraag naar het waartoe van de moraliteit nu pas echt in deze open ruimte resoneren. Nu kan de gedachte vorm krijgen dat die moraal er alleen maar is tegen de achtergrond van ons eigen scheppend vermogen. Het gaat om niets anders dan dat wij als individuen verantwoordelijk zijn voor het scheppen van waarden en dat we er als vrije en soevereine mensen invulling aan geven door enerzijds ons te verbinden met het verleden, dat we kritisch benaderen en voor het gerecht slepen, en anderzijds de wil te hebben persoonlijk geïnspireerd te raken om tot inzicht te komen wat de juiste handeling is. Zeker gezien de steeds groter wordende urgentie van het behoud van onze wereld en al het leven op aarde; en dan niet alleen voor onszelf, maar vooral ook voor de komende generaties.

Hoe doe je dat: goden scheppen?

Rest de vraag: “Hoe doe je dat: goden scheppen?” Hoe kan ik anders gezegd geïnspireerd raken? Het passieve element van de inspiratie kan zich alleen voordoen op een dansvloer, zegt Nietzsche een dansvloer die wij als scheppers moeten zijn. We moeten dansen om ontvankelijk te kunnen zijn voor die inspiraties die hij ook de goddelijke toevallen noemt. In het tot stand brengen van de eigen ontvankelijkheid — dat is de dansvloer in ons — ligt de menselijke verantwoordelijkheid die actief moet worden uitgevoerd en wel voorafgaand aan het beslissende inspiratiegebeuren. Nietzsche roept dus op tot het nemen van verantwoordelijkheid. En verantwoordelijkheid nemen is iets dat ik kan doen en ik moet het ook willen doen. Dan heb ik de wil tot de macht. Dan pas kan de macht van de inspiratie zich aan me voordoen. Het dansen van Nietzsche associeer ik met hetgeen hij zegt over de activiteit van het wachten. Het wachten op de inspiratie. Je doet dan niets anders dan wachten. Het is echter een actief wachten, een wakker blijven, een niet in slaap vallen, zodat je het moment van inspiratie niet misloopt. Het dansen is voor mij ook het ‘denken’ van het denkende ‘ik’. Het denken dat Nietzsche omschrijft als iets goddelijks en hij doet dit onder verwijzing naar de kunstenaar die in de activiteit van het denken geïnspireerd kan raken.

Denken is net als het moeizame wakker blijven tijdens het wachten en het vrolijke dansen boven de chaos een voorafgaande houding die ik actief aanneem en dan, dan op een ogenblik, gebeurt het misschien en raak ik geïnspireerd. Dan danst er een god door mij en wordt de waarde geschapen:

Jetzt bin ich leicht, jetzt fliege ich, jetzt sehe ich mich unter mir, jetzt tanzt ein Gott durch mich. Also sprach Zarathustra.


 

More from Heidi Dorudi

The vulnerability of intimacy

The intimacy of a relationship is one of the most beautiful phenomena....
Read More