Work is overrated!

werk

Waarom nemen we werk zo serieus? Waarom wordt er zo onmetelijk veel waarde gehecht aan het hebben van werk waardoor werkeloosheid gezien wordt als een individueel falen? Alsof onze hele identiteit, waarde en waardigheid in het geding komen als we geen werk — geen betaald (!) werk — hebben. Het is niet te betwijfelen dat werk in onze samenleving de uitermate verheven status heeft van niet alleen inherent ‘goed’, maar vooral ‘noodzakelijk’.

Toch is hier iets fundamenteel mis aan. Want wie werk heeft, betaalt dit met leven en lijf — met (onbetaald) overwerk en dus tijdloosheid, met burn-outs, RSI, stress en niet zelden hartinfarcten. En wie werkeloos is, heeft dan wel tijd, maar is ongelukkig, omdat de maatschappij hen, naar het heet, niet meer nodig heeft. We lijken zó zeer te houden van ons werk, van alles wat daaraan vastzit, dat we er bijna alles voor over hebben om het te verkrijgen. Bijgevolg zijn we doodongelukkig als we het verliezen.

Het leven is niets anders dan tijd

Het punt is dat het leven niets anders is dan tijd. Het is de begrensde tijd die ieder individu heeft op aarde. Een tijd die we alleen in onze lichamen kunnen doorbrengen. Waarom zijn we dan zo bereid deze twee meest waardevolle bezittingen die we hebben te beschadigen om 40 uur per week of langer door te brengen met werk dat er te vaak niet eens iets essentieels toevoegt aan deze wereld? Waarom?

Lange tijd was werk in de geschiedenis iets voor het lagere volk, voor vrouwen of voor de tot slaaf gemaakten. Maar toen verschenen er mannen als Calvijn en Luther op het toneel. Met hen werd het werk verheven tot een soort godsdienst. Het zou god zijn die een ieder met het geven van bepaalde talenten oproept tot het uitoefenen van bepaald werk. Als je je roeping — je beroep dus — goed uitoefent, dan ben je je ook zeker van materiële welvaart. Werk als een bewijs van deugd die uitmondt in succes en rijkdom. Voortaan kon iedereen rijk en succesvol zijn, niet alleen de adel.

Nu, in het seculiere tijdperk, is het niet langer god, maar de prestatiemaatschappij die deze belofte doet. En dus is het je eigen individueel falen als je werkeloos en ergo zonder succes en arm bent. De huidige prestatie-ethiek wordt nooit of uiterst zelden betwijfeld. De waarom-vraag wordt niet gesteld. Integendeel. Er is een drang en een dwang om jezelf te verwerkelijken via het werk dat je doet. Levensbetekenis lijkt hard gecodeerd enkel nog gekoppeld te zijn aan werk. Werk als levensontwerp dat zich manifesteert in een carrière. Geen werk, of een onderbroken carrière, betekenen dan per definitie een leven zonder betekenis. Een gefaald leven.

Leven om te werken, of werken om te leven?

Misschien moeten we toch eens die waarom-vraag gaan stellen: waarom leven we om te werken, in plaats van te werken om te leven? En dat allemaal vrijwillig? Nietzsche zei hierover dat alle mensen in alle tijden, en nog steeds, uiteenvallen in hetzij slaven, hetzij vrijen; want wie van hun dag niet twee derde voor zichzelf heeft, is een slaaf, zegt die, en wel ongeacht of je politicus, handelaar, ambtenaar of geleerde bent. En ja, we werken, omdat je dat nou eenmaal doet. In Nietzsches woorden ‘rollen we zoals de steen rolt: gehoor gevend aan de domheid van de mechanica’. Waarom en waartoe dat rollen nodig is, wordt niet onderzocht.

Maar dat zouden we wél moeten doen, want wat hier op het spel staat is iets groots — namelijk vrijheid. En als we het hebben over vrijheid, dan grijp ik altijd graag terug op het denken van Hannah Arendt. Volgens haar zijn we politieke wezens, omdat we zichtbaar zijn in het openbaar van de gedeelde ruimte. Daar in die ruimte spreken en handelen we. Alleen daar heeft dit handelen ook zin. Het is per definitie een politieke activiteit, omdat het gaat om de manier waarop we met anderen de wereld vormgeven en organiseren. Deze politieke mens is voor Arendt alleen te denken in relatie tot het begrip vrijheid.

Uiteindelijk gaat het om vrijheid

Zij laat ons zien dat vrijheid in de klassieke oudheid betekende dat je vanuit jezelf vrijwillig kon handelen, zonder de verplichting om voor je levensonderhoud te moeten zorgen. Zolang namelijk een mens onderworpen is aan de noodzaak van werk, is die onvrij in zoverre als dat het werk voorwaardelijk is voor het behoud van de eigen existentie. Arendt voert Aristoteles aan voor wie gold dat je enkel dan waarachtig vrij bent als je vrijelijk kunt beschikken over je tijd en je verblijfsplaats. Alleen in de ruimte van deze vrijheid is de mens in staat om een nieuw begin te maken. Iets dat Arendt de menselijke nataliteit noemt.

Ze merkt vervolgens op dat het klassieke begrip van vrijheid op de achtergrond is geraakt en heden ten dage wordt overdekt met een begrip van vrijheid als louter ‘wilsvrijheid’, oftewel ‘keuzevrijheid’. Vrijheid lijkt niets anders meer te zijn dan ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen, of een keer in de vier jaar een kruisje te zetten op een stembiljet. Dit is geen politiek handelen in de zin van Arendt. Voor haar kan het handelen in vrijheid enkel in relatie tot andere mensen beleefd en ervaren worden. Bovendien bestaat vrijheid alleen als álle mensen vrij zijn. Als iedereen dus in de openbare ruimte in een gelijkwaardige relatie staat tot elkaar. Dientengevolge is deze vrijheid alleen in het domein van het handelen en dus het politieke te realiseren.

Een goed argument voor het onvoorwaardelijke basisinkomen

Welnu, als we al deze gedachtes koppelen aan het begrip van werk dat de prestatiemaatschappij hanteert, dan kunnen we het volgende concluderen: zolang we gedwongen zijn om te werken teneinde dagelijks te kunnen overleven, en zolang we enkel daarvandaan onze identiteit en waardigheid ontvangen, net zolang zijn we per definitie onvrij. En als je dit verder doordenkt, dan kan je dit perspectief wellicht ook beschouwen als een meer dan goed argument om te pleiten voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Zouden we immers als maatschappij dit besluit kunnen nemen en handelen door  de wereld te organiseren zodanig dat een ieder door hun geboorte tot aan hun dood het recht heeft op een onvoorwaardelijk basisinkomen, dan zouden we niet alleen het dagelijkse, basale overleven van een ieder kunnen garanderen, maar vooral ook de mogelijkheid voor iedereen om wérkelijk vrij te kunnen zijn.


Deze column is oorspronkelijk voorgedragen op 08 Januari 2017 bij Radio Swammerdam op AmsterdamFM. Misha Melita en Luuc Brans gingen in gesprek met Judith Elshout (socioloog) en Sebastiaan Abdallah (HvA onderzoeker) over maatschappelijk falen in de huidige prestatiesamenleving. Luister hier naar de hele uitzending:

More from Heidi Dorudi

Het toerisme van de bv Iamsterdam

Nog niet zo lang geleden was het toerisme in Amsterdam een gebeuren...
Read More