De dood woont in het leven

De dood is het einde van het mogelijk-zijn

Zoals gezien staan er gedurende mijn hele leven nog allerlei voor mij specifieke mogelijkheden open. Het zijn mogelijkheden die ik ofwel zelf heb gekozen, ofwel heb meegekregen met en door mijn opvoeding. Zodoende is mijn leven bepaald door onvolledigheid (Unganzheit). Dit houdt in dat het menselijke leven, zolang het existeert, geen geheel vormt, maar altijd op zichzelf vooruit is. Anders gezegd, verhoud ik me tot aan mijn dood tot mijn toekomstige zijns-mogelijkheden, of mijn toekomstig kunnen-zijn. Toekomstig, omdat ik binnen de speelruimte van mijn specifieke mogelijkheden iets kan zijn dat ik nog niet ben, en door dit open aspect van het toekomstige kunnen-zijn, ben ik dus altijd op mezelf vooruit. Als zodanig bevind ik me in een voortdurende niet-afgerondheit (Unabgeschlosenheit) — in een nog-niet —, omdat ik, zolang ik leef en dus nog-niet-ten-einde-ben, altijd nog mogelijkheden in het vooruitzicht heb. Pas met mijn dood word ik een geheel, aangezien er na de dood geen mogelijkheden meer zijn die ik nog zou kunnen verwerkelijken.

Tegelijkertijd vernietigt de dood het Dasein ook volledig. Zodoende valt het geheel-zijn — de eenheid — van het Dasein samen met het niet-meer-zijn. Het gevolg hiervan is dat ik, zolang ik leef, mijn eigen totaliteit nooit ontisch kan ervaren; ik kan mijn eigen totaliteit nooit  waarnemen als een fenomeen dat in de wereld bestaat. Zodra ik namelijk met mijn dood een geheel ben, ben ik er ook niet meer. Voor Heidegger houdt dit in dat ik de overgang van het zijn (in de wereld) naar het niet-meer-zijn (in de wereld) nooit ontisch kan ervaren en zodoende kan ik ook nimmer mijn eigen dood ervaren. Het einde van het menselijke leven is mij enkel toegankelijk via de dood van andere mensen.

Echter, Heidegger is op zoek naar hoe het Dasein — hoe ik dus met betrekking tot mijn eigen mogelijkheden — ooit zelf een geheel kan vormen. In deze zin is de dood van een ander mens ontologisch betekenislos. Met de dood van een ander kan ik namelijk noch begrijpen wat de betekenis is van mijn ten-einde-komen, noch wat de ontologische zin is van het sterven dat een wezenlijke zijns-mogelijkheid is van mijn existentie. De dood van de ander ervaar ik namelijk niet werkelijk. Als een soort toeschouwer ben ik er hooguit altijd slechts erbij hetgeen inhoudt dat de dood van een ander voor mij slechts objectief toegankelijk is. Met de dood van een ander kan ik objectief bevatten hoe het Dasein ten einde gaat, maar ik kan nooit subjectief ervaren hoe de stervende ander zelf de dood ondergaat.

De dood is voor Heidegger daarom ook niet iets dat je voor iemand anders kan doen; de dood is, anders gezegd, niet-representeerbaar (unvertretbar):

Ieder mens moet de eigen dood sterven en niemand kan namens mij optreden als het gaat om mijn eigen sterven.

Bijgevolg is het sterven, oftewel het ten-einde-gaan, geen gebeurtenis die existentieel kan worden begrepen, maar een fenomeen dat existentiaal begrepen moet worden.

De dood is het primaire waartoe

Uit Heideggers analyse van het einde en de eenheid van het Dasein volgt dat het ten-einde-gaan in feite de voortdurende openheid (die ständige Unabgeschlossenheit) tot een einde brengt. Dit betekent echter niet dat het ten-einde-gaan onvermijdelijk ook een zich-voltooien (Sich-vollenden) is: met mijn dood heb ik niet noodzakelijkerwijs al mijn specifieke mogelijkheden verwerkelijkt of zelfs opgebruikt. Bovendien kan de dood — als het einde van het Dasein — niet adequaat worden aangeduid met de modi van het begrip »eindigen«, zoals bijvoorbeeld »ophouden«, »afkrijgen« of »verdwijnen«.  Het »eindigen« in de zin van de dood betekent voor Heidegger geen ten-einde-zijn van het Dasein, maar een zijn-tot-het-einde van dit zijende. Dientengevolge »is« het Dasein altijd al haar einde hetgeen hij benadrukt met een citaat uit Der Ackermann aus Böhmen:

Sobald ein Mensch zum Leben kommt, sogleich ist er alt genug zu sterben. 

Zodra een mens geboren is, is zij weldra oud genoeg te sterven. Zodoende is mijn dood het uiterste nog-niet waartoe ik me verhoud. De dood is het primaire waartoe dat mij niet onverwacht overkomt, maar dat altijd al — en wel voortdurend — aanwezig is »in« mijn Dasein. De dood hoort bij mijn Dasein en ik verhoud me ertoe: mijn zijn-tot-het-einde betekent dat ik sterf.

Existeren is derhalve sterven en dit zegt niets anders dan als sterfelijk mens te leven.

Daarom dient het fenomeen van de dood te worden opgevat als een georiënteerd zijn van de mens op de dood, binnen haar zijn en gedurende haar leven. Om die reden omschrijft Heidegger de dood als een fenomeen van het leven en kan hij dus zeggen dat de dood in het leven woont.

Welnu, het geheel van de structuurmomenten die de existentie constitueren, de eenheid dus van het Dasein, bestaat uit allerlei waartoe’s omwille waarvan we dingen doen in de wereld. Het geheel bestaat dus uit al deze waartoe’s —  alle mogelijkheden (meervoud) — die een Dasein heeft in de wereld plus het primaire waartoe — deze ene en uiterste mogelijkheid (enkelvoud). Dit geheel is de speelruimte van mijn specifieke mogelijkheden en als de altijd aanwezige mogelijkheid van mijn dood is hij als het primaire waartoe het einde van al mijn concrete mogelijkheden. Ben ik echter in staat dit primaire waartoe te zien als mijn ten-dode-zijn (Sein zum Tode) — de dood dus te zien als de mogelijkheid mij te verhouden tot de onmogelijkheid van mijn existentie —, dan zie ik ook dat ik vrij ben.

Het wordt nu duidelijk dat het Heidegger erom gaat de samenhang aan te wijzen tussen het ten-dode-zijn en de toekomst waardoor de dood een uiterst positieve betekenis ontvangt. De term die hierbij een zeer belangrijke rol speelt, is oorspronkelijkheid (Ursprünglichkeit). In de eerste afdeling van Sein und Zeit was nog niets zichtbaar van dit fenomeen. Daar ging het voornamelijk om de alledaagsheid (Alltäglichkeit), de oneigenlijkheid (Uneigentlichkeit) en de vervallenheid (Verfallenheit) aan het men van het geen-geheel-vormende Dasein dat pas met haar dood haar eenheid bereikt. Allemaal tegenpolen dus van de oorspronkelijkheid.

Het begrip oorspronkelijkheid geeft de dood allereerst een positieve betekenis doordat het zwanger is van de klank van een beslissende betekenisketting, namelijk: onvervalstheid-oorsprong-sprong-begin-aanvang-nieuw-nieuwigheid-gebeurtenis-gebeuren. Omdat de alledaagsheid een zijn is tussen geboorte en dood — tussen aanvang en einde —, denkt Heidegger dat de oorspronkelijkheid ons erbij kan helpen het Dasein op existentiaal niveau te kunnen begrijpen in de zin van haar mogelijke eigenlijkheid en eenheid. 


Tags from the story
, , , ,
More from Heidi Dorudi

Beschikken we wel of niet over absolute waarheid?

Op mijn interview op Nieuw Wij kwamen er reacties over hetgeen ik zei over...
Read More