De dood woont in het leven

Het vooruitlopen de mogelijkheid in

Heidegger onderscheidt telkens weer tussen een oneigenlijk en een eigenlijk zijn. Het aanbrengen van dit onderscheid beschouw ik als een maatschappijkritische analyse van de wereld, de samenleving en de diverse individuen die de samenleving vormen. Individuen die elke dag en voortdurend de wereld scheppen en vormgeven.

Als het gaat om mijn eigen dood en de betekenis ervan, dan kan ik me op oneigenlijke manier ertoe verhouden, en wel in de wijze van de vervallenheid aan het men. Daarbij vlucht ik voor zowel de waarheid als de betekenis van mijn dood en verloochen ik de factische verhouding die ik nou eenmal heb met de dood.1 De verloochening uit zich in een voortdurende vlucht voor mijn meest eigen ten-dode-zijn. Als een oneigenlijk en niet authentiek zelf kan ik de moed niet opbrengen mezelf te confronteren met mijn eigen dood, en het is deze lafheid die mij elke mogelijkheid ontneemt een samenhangend en geheel zelf te kunnen zijn.

Als er een oneigenlijke manier mogelijk is om zich te verhouden tot de eigen dood, dan moet er ook een eigenlijke zijn. Deze kenmerkt zich door een appreciërend begrijpen (befindliches Verstehen) van de dood en juist niet door een vluchten voor of een verloochening van deze uiterste mogelijkheid. Bijgevolg is het eigenlijke ten-dode-zijn een zijn tot een mogelijkheid bij uitstek van het Dasein zelf. Voor Heidegger betekent dit echter niet dat de dood een mogelijkheid is die ik zou kunnen beheersen, of zelf zou kunnen realiseren, aangezien hij de zelfmoord niet beschouwt als een verwerkelijking van de mogelijkheid van de dood: met elke zelfdoding eindigt namelijk ook meteen elke werkelijkheid. De dood is dus een zuivere en niet te realiseren mogelijkheid en het zijn tot deze mogelijkheid is een zich-verhouden tot de eigen dood, en wel zodanig dat ik uit de verloochening van deze vooruit staande mogelijkheid loop en in de mogelijkheid zelf treed, of met Heideggers woorden: als ik vooruitloop de mogelijkheid in.

Zo beschouwd, is het »vooruitlopen de mogelijkheid in« een appreciatie en inzicht van de naderende eigen dood als de uiterste mogelijkheid die in feite niets anders is dan de onmogelijkheid van het leven überhaupt. Een dergelijk ten-dode-zijn maakt allereerst deze mogelijkheid van de dood mogelijk en maakt haar als zodanig vrij. Dit vrij-worden betekent dat ik door de confrontatie met de onmogelijkheid van mijn eigen existentie enkel nog houvast heb aan mijn meest eigen toekomstig kunnen-zijn. Zodoende blijkt het vooruitlopen een mogelijkheid te zijn om het meest eigen en uiterste kunnen-zijn te begrijpen als de mogelijkheid tot een eigenlijk en authentiek leven. Bij dit begrijpen van het meest eigen kunnen-zijn gaat het — in tegenstelling tot de huiveringwekkende last van het menselijke geworpen-zijn in de facticiteit van zowel leven als dood — om het ontwerp-karakter van het Dasein, om haar activiteit en daarom ook om vrijheid ondanks het geworpen-zijn.

Maar wat betekent dit vooruitlopen en het daarmee hand in hand gaande appreciërende begrijpen van mijn meest eigen kunnen-zijn in concreto, en wat zijn de effecten ervan?

De dood is de meest eigen mogelijkheid

Zodra ik moedig de angst voor mijn eigen dood in de ogen kijk en er niet laf voor wegvlucht, dan brengt dit een verenkeling teweeg. Dit houdt in dat ik mijn zelf dan niet meer kan begrijpen vanuit de openbare, traditionele, conventionele en alledaagse meningen en levensstijlen van de samenleving en de tijd waar ik ingeboren ben. Deze publieke sfeer (Öffentlichkeit) noemt Heidegger het men. Ieder mens is in eerste instantie altijd een men-zelf. Dit is een zelf dat opgaat in het men en door het men bedwongen wordt. Simpelweg, omdat eenieder nou eenmaal in deze publieke sfeer van het men geworpen is. Vooralsnog en meestal begrijp ik dus mijn zelf vanuit dit »men« en ben ik als een »men-zelf« oneigenlijk en niet authentiek, want geconformeerd aan, en geassimileerd door, wat men denkt, vindt, doet en van mij verwacht.

Dit verandert nu echter. Door de verenkeling verlies ik elke houvast aan het men en ben ik in z’n geheel teruggeworpen op mezelf. Ik begrijp nu dat, zoals mijn dood dat niet is, ook mijn leven niet-representeerbaar is. Bijgevolg ontsluiten zich achtereenvolgens: mijn uiterste en alles omvattende meest eigen mogelijkheid van de dood, mijn meest eigen kunnen-zijn en zodoende mijn mogelijkheid tot een eigenlijk en authentiek leven.

Het vooruitlopen laat mij dus inzien dat alleen ik mijn eigen dood kan sterven waardoor ik uiteindelijk begrijp dat alleen ik mijn eigen leven werkelijk kan leven. Pas door dit begrip wordt mij ook de feitelijke verlorenheid aan de alledaagsheid van mijn men-zelf duidelijk. Een verlorenheid die ertoe heeft geleid dat ik als een men-zelf in feite een oneigenlijk leven leidt, omdat ik me onkritisch heb aangepast aan de heersende normen, waarden, meningen en levensinstellingen.

De meest eigen mogelijkheid is niet-betrekkelijk

Ook bij deze typering van de dood speelt de verenkeling een grote rol: de dood eist mij als enkeling op; hij individualiseert mij. Niet men sterft, maar ik sterf en in de dood heb ik geen houvast meer aan andere mensen. De verenkeling heeft als gevolg dat ik elke verhouding tot de Umwelt — de wereld die ik deel met de tafels, stoelen, planten en dieren — en de Mitwelt — de wereld die ik deel met alle medemensen — verlies. Hierdoor is het vooruitlopen in de mogelijkheid van de dood niet-betrekkelijk; alle betrekkingen en relaties met de wereld vallen dan weg. Ook de betrekking naar het men, wat in feite een bevrijding is. Deze vrijheid zorgt ervoor dat al mijn zorgen en bezorgen in de wereld — al mijn bezigheden — nu ook eigenlijk kunnen zijn, aangezien ik ze nu ontwerp door primair georiënteerd te zijn op mijn eigen kunnen-zijn en niet op wat men van mij verwacht.

Het vooruitlopen in deze niet-betrekkelijkheid maakt ook inzichtelijk dat mijn zorgen en bezorgen in de wereld mij nimmer de zorg voor mezelf uit handen kan nemen:

Ik moet nu dwingend mijn meest eigen zijn vanuit mezelf en uit mezelf overnemen en mijn zelf van daaruit bepalen.


Footnotes

  1. Aangezien ik namelijk existeer, ben ik ook altijd al in deze mogelijkheid tot het einde geworpen. Dit geworpen-zijn is de facticiteit van zowel mijn leven als mijn dood. In mijn alledaagsheid heb ik vooralsnog en meestal geen expliciet of theoretisch begrip hiervan. Pas met de angst openbaart zich mijn geworpen-zijn in de dood.
Tags from the story
, , , ,
More from Heidi Dorudi

Het nieuwe hoofd van het patriarchaat

In haar boek A New Dawn for the Second Sex vergelijkt Karen Vintges...
Read More