Mijn linkse leraren

links

In de paarse jaren negentig zat ik als buitenlander op de basisschool te profiteren van de Nederlandse tolerantie en goede bedoelingen. Zo kreeg ik vanaf het begin extra taallessen om mijn levenslange taalachterstand te kunnen inhalen. Mijn linkse leraren hebben me er nooit bij verteld dat dit mogelijk werd gemaakt door de belastingcenten die geïnd werden van de hardwerkende, gewone Nederlander. Incomplete informatievoorziening is natuurlijk onderdeel van de samenzwering.

Wat mijn linkse leraren ook deden, was moeite te doen om mij te laten weten dat ze mijn cultuur helemaal omarmden. Inclusief rare geurtjes. Ik had bijvoorbeeld altijd henna in mijn haar. Dat was voor mijn moeder een manier waarop ze dacht mijn niet-zwarte haar te kunnen camoufleren. Of was het tegen de luizen? Ik weet het niet meer. Ik vond het in ieder geval verschrikkelijk. Maar mijn kleuterjuf liet mij en mijn gewone klasgenootjes luid en duidelijk weten dat mijn oranje haar echt ‘prach-tig’ was. Een vorm van indoctrinatie, begrijp ik nu. Mijn linkse leraren waren ook een beetje bang, constateer ik terugkijkend. Niemand durfde mij te zeggen dat het in Nederland niet normaal was dat ik met mijn henna-haar het hele zwemband oranje kleurde. Ook de badmeesters moeten wel links zijn geweest. Dat ik me nooit veilig heb gevoeld bij hen komt waarschijnlijk omdat zij het frustrerend vonden dat ik niet zo open stond voor de Nederlandse watercultuur. Begrijpelijk natuurlijk, gezien de zeespiegel.

Weer zo eentje die niet vrij wil zijn

De eerste echte politieke referentie werd gemaakt door mijn extreem-linkse meester van groep vijf. Hij liet er geen gras over groeien: CD was heel fout. Ik begreep niet waarom een cd zo fout was, maar ik wist wel dat het met mij te maken had. Dus ik nam de boodschap heel serieus. Ik schaam me nog altijd als ik een foute cd pak.

Waar er echter geen plek voor was op school was mijn hoofddoek. Dat ging namelijk tegen de christelijke cultuur in. Of zoiets. Maar omdat mijn links-christelijke leraren zo bang waren voor mijn ouders, besloten ze deze discussie maar met mij te voeren. Ik was al negen jaar — wat overeenkomt met de leeftijd van een volwassen gewone Nederlander —, dus dat kon prima. Ik werd totaal niet onder druk gezet iets te doen wat tegen mijn moeders wil inging. In plaats van dat zij het mij oplegden,  wilden ze dat de keuze om mijn hoofddoek af te doen bij mij lag. Dus kwamen er argumenten als: “Maar je hebt zulk mooi haar!” Dat mijn loyaliteit desondanks bij mijn moeder bleef, moet een ontzettende teleurstelling zijn geweest voor mijn links-christelijke leraren. Weer zo eentje die niet vrij wil zijn. Ik voel me er nog steeds ongemakkelijk bij. Het is eigenlijk een soort verraad aan al die mensen die zich zo hard voor mij hebben ingezet, die zo hun best hebben gedaan mij te heropvoeden. Ik wil me het liefst excuseren. ‘Sorry dat ik ben’ zeggen en zo. Uiteindelijk kwam er een compromis: in de klas af, op het schoolplein op. Die links-christelijke polderleraren zijn bij nader inzien best wel grappig.

Het was de middelbare school die uiteindelijk capituleerde: ik mocht een hoofddoek dragen, ook in de klas. Drie weken later droegen de meeste andere Marokkaanse meisjes ook een hoofddoek. Toen moet de islamisering zijn begonnen. Het benoemen ook. In die eerste weken kwam tijdens de pauze een medebrugpiepertje op me af: “Met wat heb jij jouw schoenen betaald?” Hard gelach. Ik had peperdure Nike-Air-Max-schoenen van mijn ouders gekregen, want zij dachten dat die schoenen bij de middelbare school hoorden. Ik denk dat ze vergeten waren dat Marokkanen arm waren en dat we dat helemaal niet konden betalen. 

Het was tijdens een les in de aardrijkskunde — ik zat inmiddels in de derde klas en zag de afstand tussen mijn puberleefwereld en die van mijn klasgenoten heel snel groeien — toen er ineens een discussie losbarstte over Marokkanen. Ze waren op straat, in het zwemband, in de disco. En ze waren kut, dat was duidelijk. De linkse lerares keek mij aan en wilde mij als plots gepromoveerde vertegenwoordiger van de Marokkaanse gemeenschap — want enige in de klas — een kans geven om hierop te reageren: “Wat vind jij hier allemaal van, Haddoema?” Geschrokken van mijn bestaan probeerden mijn gewone klasgenoten nog duidelijk te maken dat het niet om mij ging. Ik was immers anders. Ik was wel goed. Ik wist niet wat ik met deze situatie en aandacht aan moest en voelde de tranen opkomen. “Het is gewoon zo,” stamelde ik, “ik kan er niks aan doen.” Aan alles voelde ik dat het over was met de pret voor Marokkanen in Nederland. Toevallig was het ook mijn laatste jaar met henna in mijn haar.

Vliegtuigen en torens

Nederlandse taalles. Een discussie over homoseksualiteit en iets met moumi, moumni? Is dat een gebouw? Ik miste totaal waar het over ging, maar aan de blikken zag ik dat ik ermee te maken had en dus brak het klamme zweet me al uit. Ja hoor, daar kwam de vraag van de linkse leraar: “Wat vind jij hiervan, Haddoema?” Iedereen was zeer geïnteresseerd in mijn antwoord over dit blijkbaar heel belangrijke onderwerp. Hoe red ik mij hier weer uit?

Vliegtuigen en torens. Een of andere Arabier had het gedaan. Ik was erg onzeker over de toekomst van de wereld. De volgende ochtend had ik tekenles. De linkse lerares gaf ons de opdracht skylines te tekenen. Ik heb moeite dingen los van elkaar te zien en dus tekende ik de enige skyline die op dat moment voor mij belangrijk was. Inclusief de torens. Ik bleek de enige te zijn. We moesten onze creaties aan elkaar presenteren: “Hier een gebouw, daar een gebouw en deze twee torens, nou ja, die zijn er niet meer.” Hard ohohoh-gelach. Je weet wel, als je eigenlijk niet mag lachen — zoals wanneer er een racistische grap gemaakt wordt —, maar het dan toch doet. Zo’n lach. Ik stond versteld. Ik wist niet dat ik een grapje had gemaakt. Blijkbaar stond ik in hun beleving aan de kant van de dader. De linkse lerares reageerde niet.

Het werd de tijd van Pim. En wat hij zei werd in pubertaal herhaald. Luid en duidelijk. Elke dag weer. “Nederland is vol!” En: “Ik ben het zat!” Maar ook: “Deine Papiere, Jude!” Dat laatste was gewoon als grap bedoeld natuurlijk en tegen niemand specifiek gericht. Het was meer een onschuldig dagelijks ritueel. Net als het roepen van “Homo!!” naar iemand die later inderdaad homo bleek te zijn. Soms richtten mijn gewone klasgenoten zich wel specifiek naar mij: “Ik haat Marokkanen!” werd dan bijvoorbeeld hard in mijn gezicht geschreeuwd, hopend op een reactie. Maar van mijn moeder had ik als klein kind al geleerd niet te reageren op racisme, want dat kon weleens fataal worden.

Alle linkse leraren deden alsof hun neus bloedde. Ook toen ik een keer tijdens een SO Frans voorin ging zitten — om de woordjes op het bord te kunnen zien, want mijn bijziende zelf had een bril nodig — en de jongen naast wie ik ging zitten in woede uitbarstte en me hard schreeuwend gebood weg te gaan. Hij wilde namelijk niet dat ik, de Marokkaan die hij zo haatte, naast hem kwam zitten. Maar goed, leerlingen maken soms ruzie en daar moet je als linkse leraar vooral niet tussen komen. Daarom schreeuwde ik maar terug: “Ga zelf weg!” Ik wilde immers een voldoende halen. En hij ging. Tegenwoordig zou hij hoogstwaarschijnlijk meer verzet bieden, desnoods door met zijn auto op de snelweg stil te gaan staan. 

Dit is een Nederlandse school

Het was pauze. Ik stond op de gang toen een linkse leraar heel hard verbaal aan het inbeuken was op mijn Turkse pauzemaatje. “Dit is een Nederlandse school en hier wordt godverdomme Nederlands gesproken!!” Het was duidelijke taal. De tirade ging nog even door. Ze bleek Turks met iemand te hebben gesproken en dat was van de ene op de andere dag verboden. Althans, als het aan deze linkse leraar en coördinator lag. Het gevolg was een serie van hyperventilatie-aanvallen. Ze voelde zich niet meer veilig. Ik liep voortaan met een boog om de leraar heen. Gelukkig had ik zelf niet met hem te maken.

Het kabinet was gevallen. De verkiezingscampagne voor de tweede kamer was overal. “Ik geef ze nog een kans,” zei een, gewone klasgenote van me. Naast haar zat haar beste vriendin, de andere vaak vergeten Marokkaanse van de klas. “Echt?” vroeg mijn linkse mentor haar. Uit de discussie die volgde leek het alsof mijn linkse mentor de eerste keer ook LPF had gestemd maar het nu niet meer zou doen. Ik begreep er niets van. Hij was altijd zo aardig. Misschien interpreteerde ik het verkeerd. Ik durfde het niet te vragen.

De opluchting toen ik eindelijk mijn diploma in ontvangst had genomen en weg kon wezen was enorm. Een linkse leraar zei me tijdens het ceremoniële ondertekenen van het diploma dat ik een rots was. Ik reageerde niet. In al die jaren had geen enkele linkse leraar mij ooit gevraagd hoe het voor mij eigenlijk was om een buitenlander, een Marokkaan en later een moslim te zijn in een overwegend witte omgeving. Wat ik eigenlijk ervan vond het object te zijn van nieuwsgierigheid, lof, belangstelling, projecties, spot, geschreeuw, wegkijken en grote vraagstukken. De belichaming van een politieke strijd. Onder een vergrootglas te staan. Om wel een rots te moeten zijn, wil ik niet verdrinken. Maar ik moet niet zo ondankbaar zijn. Deze leraren waren nog, zonder grappen, echt links. Stel je voor dat ik rechtse leraren had gehad! Ik ril bij de gedachte.       


 

Tags from the story
, , ,
Written By
More from Haddoema

Ik kan het niet meer niet zien

Nu het kinderfeest voorbij is, is het tijd voor de biecht. De...
Read More