Søren Kierkegaards filosofie van de vrijheid

Wat betekent het een mens te zijn?

Kierkegaard annexeert de theologische begrippen zonde — oftewel schuld — en erfzonde. Schuld is altijd subjectieve schuld, want ik ben verantwoordelijk voor mijn handelen en als zodanig draag ik de schuld ervoor. Daartegenover staat dat de erfzonde een geërfde schuld is, zij is de erfenis van het verleden dat ik heb gekregen zonder er iets voor gedaan te hebben en zelfs zonder dat ik er überhaupt iets aan kon doen. Net zo min eindigheid en vrijheid bij elkaar passen, net zo min passen erfenis en schuld bij elkaar.

Maar een tegenstrijdigheid is altijd de uitdrukking van een opgave.

De opgave die ligt in de tegenstrijdigheid tussen erfenis en schuld is dat ik een historische beweging moet maken. Dat historische is de geschiedenis die ik als individu geërfd heb: mijn herkomst en afkomst — mijn eindigheid dus. Van deze erfenis kan ik nimmer afkomen: die eindigheid heb ik als sinds mijn geboorte en ik houd haar ook mijn hele leven lang. Wil ik als die eindige mens die ik ben evenwel vrij kunnen zijn, dan is het urgent dat de erfenis van wat ik ben vrij is. Dat verleden dus dat aan mij vooraf is gegaan — die geërfde geschiedenis —, moet ik vrij zien te krijgen. Maar hoe kan ik dat voor elkaar krijgen? Welnu, evenals mijn vrijheid ter plaatse van mijn eindigheid tot stand moet komen, zo moet ook mijn schuld ter plaatse van mijn erfenis tot stand komen. Anders gezegd: ik moet mijn erfenis, mijn eindigheid, op me nemen als een existentiële mogelijkheid van mijn eigen leven.

Haufniensis neemt Adam als voorbeeld. Volgens hem wordt Adams zondeval, zijn eerste zonde, in elk nieuw leven geactualiseerd. Dit klinkt uiterst raar, zeker voor het geseculariseerde oor, maar het heeft een positieve betekenis. Mijn erfgenaam-zijn van schuld heeft dan namelijk niet meer het karakter van dupe-zijn in de zin van ‘Ik ben de dupe van iemand anders daad!’, maar nu ben ik zelf een dader en alleen als dader kan ik zeggen ‘Hey, ik heb het zelf gedaan!’, of anders gezegd: ik betwist de erfenis van de geschiedenis niet, maar ik aanvaard haar. Hiermee neem ik de verantwoordelijkheid voor mijn eindigheid op me waardoor ik een dader wordt en pas dan kan ik er ook iets aan doen aan die geschiedenis die mij vooraf is gegaan: ik kan haar genezen doordat ik besef wat de gevolgen van die geschiedenis zijn en met dit bewustzijn anders gaan handelen. Dit andere handelen verandert de geschiedenis in plaats van haar onkritisch te continueren. Een dader te zijn, betekent in feite een vrij mens te zijn en precies dat is typerend voor de mens, aldus Haufniensis:

de zonde [is] immers de substantie van de mens 

Het wezenlijke van mijn menselijke existentie is volgens hem dat ik een individu ben en als individu ben ik de oorsprong van een individuele daad. Tegelijkertijd ben ik het hele mensengeslacht en als zodanig een representant van de algehele toestand van de erfzonde. Maar als ik een vrij mens ben, dan ben ik ook verantwoordelijk voor de toestand die er altijd is en waarin ik nou eenmaal gesitueerd ben. Bijgevolg is er een contrast tussen toestand en daad. In termen van tijd kan de erfzonde worden beschouwd als de lineaire tijd, continuïteit en kwantiteit. De daad daarentegen is een discontinuïteit, een kwaliteit, ofwel een sprong, zoals Kierkegaard dit ook noemt. Door een daad te stellen, verbreek ik als dader de continuïteit van een (gedetermineerde) toestand, en dit is de historische beweging.

Zoals Adam dus door de schuld de onschuld verloor, zo verliest ieder mens haar.

De gedachte dat Adam als enige de daad van de zonde heeft gepleegd, is een gedachte die Kierkegaard niet aanspreekt. Dat zou immers betekenen dat iedere latere mens tegen wil en dank opgeschept zit met de erfzonde en dat is een al te gemakkelijke uitvlucht voor hem. Daarom stelt hij dat de toestand van de zondigheid in de wereld ook bij iedere latere mens het gevolg is van de daad van de zonde, en zoals de zondigheid door de zonde in de wereld komt, zo kan ook de onschuld alleen via de schuld verloren gaan. De onschuld wordt dus niet opgeheven door een immanente beweging van Aufhebung — dit is duidelijk een kritiek aan Hegel —, maar door transcendentie, en dat is de kwalitatieve sprong, het is het stellen van de daad. Dit geldt voor ieder mens, dus ook voor mij. Ik ben dus een dader dankzij de transcendentie van de vrijheid en daardoor kan ik iets doen aan de schuld en de zondigheid in de wereld, zelfs is die zondigheid het gevolg van iets dat mensen lang voor mijn geboorte in werking hebben gesteld.

Hiermee is het raamwerk gegeven dat ik nodig acht om de drie angsten verder te gaan onderzoeken op de volgende pagina’s.


Tags from the story
, , ,
More from Heidi Dorudi

Het kritische en dus metafysische denken van Hannah Arendt

Op 16 november 2016 vond in De Balie in Amsterdam de laatste...
Read More