Søren Kierkegaards filosofie van de vrijheid

Het derde ogenblik van angst — de angst voor de eeuwigheid

Het resultaat van mijn tweede angst is dat ik me bevind in het kwade en doordat ik me ermee identificeer, begin ik me te verhouden tot het goede. Opnieuw is deze verhouding in eerste instantie onvrij, want opnieuw word ik geconfronteerd met een niets dat weer angst oproept: de derde angst die zich nu richt op het goede als angst voor de oneindigheid. De dreiging die van deze angst uitgaat, is het inzicht dat ik als eindige mens de nodige wending in het eindige niet zelf tot stand kan brengen, dus moet ik dit verwachten van het goede en de wending anticiperen. En dit is de kern  van transcendentie. Maar eerst heb ik opnieuw angst en bovendien moet ik daarbij ook nog mezelf op het spel zetten.

Met de angst voor het goede bereik ik een soort laatste stadium van de angsten waardoor ik dichtbij het concrete van het goede kom. Echter, ik kan alsnog in de situatie komen dat het mislukt. Dat is wanneer ik me niet wil laten vangen in de kwalitatieve sprong die volgt op de stap van het berouw. Dan ben ik volgens Haufniensis een demonisch individu dat in het kwade is en wiens angst zich richt op het goede. Maar deze angst wint het niet, omdat ík haar niet overwin. Als demonisch individu trotseer ik deze angst niet ben ik niet, omdat ik niet bereid ben de relatie tot het goede in positieve zin aan te gaan.

Het demonische komt daarom pas goed aan het licht wanneer het wordt aangeraakt door het goede, dat van buitenaf tot aan de grens van het demonische komt.

Elke vorm van aanraking ga ik dus uit de weg, oftewel: ik wijs het passieve af. Het goede, de wending in het eindige, durf ik niet aan en daarom ga ik in volstrekte vrijheid het kwade aan. Ondanks dat ik weet dat het kwaad is en ongeacht hoe slecht het ook is, ik blijf hyperactief mijn vrijheid tot uitdrukking brengen teneinde in het toppunt van mijn vrijheid te kunnen verblijven.

Toch is deze vrijheid een onvrijheid die zich wil afsluiten. In de Filosofische Kruimels noemt Kierkegaard onder het pseudoniem Johannes Climacus deze toestand van onvrijheid de toestand van de zonde. Het is de toestand van onwaarheid zijn en dat door eigen schuld te zijn. En een paar regels verder stelt Climacus:

Voor zover de lerende in de onwaarheid is en dat is door zichzelf […], kan het er de schijn van hebben dat hij vrij is. Want bij zichzelf zijn, dat is immers vrijheid. Toch is hij onvrij en gebonden en buitengesloten. Want vrij te zijn van de waarheid betekent buitengesloten zijn door zichzelf, en buitengesloten zijn door zichzelf betekent gebonden zijn. Daar hij echter door zichzelf is vastgebonden, kan hij zichzelf niet losmaken of bevrijden.

Dit onvermogen mezelf te bevrijden, komt volgens Climacus doordat ik de wil ertoe niet heb, omdat ik de kracht van de vrijheid in dienst van de onvrijheid wil gebruiken; daar ben ik immers vrij in. Maar niemand is zo schrikwekkend gevangen en geen gevangenschap zo moeilijk om uit te ontsnappen, als die waarin ik mezelf vasthoud. Dat ik in het demonische zo schrikwekkend gevangen ben, komt volgens Haufniensis door twee willen:

Een ondergeschikte en machteloze die de openbaring wil, en een sterkere die de geslotenheid wil.

Dat is dan ook de reden waarom een demonische vrijheid een onmogelijkheid [is en blijft], aangezien de mogelijkheid van de vrijheid in verhouding blijft tot deze onvrijheid. Onvrijheid is immers een fenomeen van de vrijheid, legt Climacus uit, want vrijheid is het fundament van onvrijheid.  Tegenover mijn demonische geslotenheid — mijn onvrijheid — staat dus de vrijheid als datgene wat ruimte en dus werkelijke, ofwel ware mogelijkheden geeft. Doordat ik mezelf echter afsluit van alles en iedereen, ook van elke aansprakelijkheid, maak ik me in mijn onvrijheid zelf tot gevangene. Terwijl de vrijheid voortdurend communiceert, wordt de onvrijheid meer en meer gesloten en wil geen communicatie, maar telkens als de vrijheid de geslotenheid aanraakt, dan wordt deze angstig. Als gevolg hiervan moet ik, om me alsnog vrij te kunnen voelen, telkens weer mijn absolute positie forceren, en dat betekent dat ik het eindige moet forceren tot een oneindige positie. En dat kan ik (!): in de handen van mijn willekeur instrumentaliseer ik voortdurend alles en iedereen. Dit noemt Haufniensis het plotselinge van het demonische.

Eerder in het boek associeert hij het plotselinge met de kwalitatieve sprong in het niets, de sprong in de vrijheid. Daar heeft het plotselinge een positieve waardering. Dus is het plotselinge zowel de aanduiding voor wat er gebeurt in relatie tot het transcendente als ook in relatie tot het willekeurige dat aan de macht is bij het demonische. De willekeur kent immers geen voorspelbaarheid: het plotselinge kent geen wet, zegt Haufniensis. Derhalve staat de willekeur altijd in het teken van het plotselinge en is zij mijn enige manier om te bewijzen dat ik als de eindige mens die ik ben toch oneindig ben; dat ik op de een of andere manier meer [ben] dan de empirische, historisch bepaalde, eindige individualiteit. Dit moet ik activistisch en manipulatief forceren door te laten zien dat ik nergens meer aan vast zit, omdat ik me laat leiden door mijn driften en mijn willekeur. Het betekent echter ook dat ik blijf stagneren, aangezien ik telkens weer vlucht voor de voortdurend opkomende angst voor het goede en het steeds weer mislukt de relatie tot het goede in positieve zin aan te gaan.

Elke angst, zo ook de angst voor het goede, confronteert mij met de mogelijkheid van een sprong. Wil ik  dus een vrijheid die er echt toe doet, dan moet ik ook deze derde angst voor het goede overwinnen door me niet langer af te sluiten voor de aanraking. Pas dan is er een uitkomst mogelijk. Pas dan is mijn vrijheid mogelijk.

[Daarom is het] nu tijd dat de zekerheid, de innerlijkheid, aan bod komt, niet in abstracte zin […], maar heel concreet. De zekerheid, de innerlijkheid, die alleen door de handeling wordt verkregen en alleen in de handeling haar bestaan heeft, beslist of het individu demonisch is of niet. 

Innerlijkheid is een woord dat op een specifieke manier de transcendentie aanwijst. Innerlijkheid is voorafgaand aan het transcendente gebeuren en betekent dat ik betrokken ben op iets dat zich nog niet voordoet. Deze betrokkenheid is uiterlijk niet zichtbaar — is dus innerlijkheid en zekerheid — en de ernst is daar de aanduiding voor. Het gaat om de meest concrete inhoud die mijn bewustzijn kan hebben en dat is het bewustzijn van mijzelf. Maar dit zelfbewustzijn is geen contemplatie, geen psychisch fenomeen, benadrukt Haufniensis. Tenslotte zie ik dat ik zelf al die tijd in wording ben en dat ik niet kant en klaar voorhanden ben voor de contemplatie.

Dit zelfbewustzijn is daarom handeling, en die handeling is weer innerlijkheid.

Innerlijkheid is derhalve een metafysisch relatiebegrip, want mijn innerlijkheid komt tot stand in een handeling waardoor ik in relatie sta tot het goede in de positieve zin. Dat wil zeggen, niet in de modus van mijn angst voor het goede, maar in de modus van mijn bereidheid tot het goede. Wanneer ik dan op deze manier — bereid zijn tot het goede — de laatste angst  trotseer, dan stap ik in mijn innerlijkheid en ga ik een relatie aan met het goede en dan gaat de logica van eindig-oneindig werken. Immers:

Zodra de innerlijkheid ontbreekt, is de geest tot iets eindigs gemaakt, want de innerlijkheid is […] de eeuwigheid, of de bepaling van het eeuwige in de mens.

Dan gaat het goede zich waarschijnlijk voordoen en kan de reïntegratie van de vrijheid, haar verlossing [en] bevrijding, plaatsvinden

De herhaling

In Het begrip angst is dit het punt waarop alle angsten op een rij staan, want in de ernst wordt ook de laatste angst getrotseerd en als zij overwonnen wordt, dan kan het goede — de vrijheid die in de eerste angst nog abstract was — zich concretiseren doordat ik me daardoor kan laten raken. Dan zal er in mijn leven een soort wending optreden en wel ter plaatse van het kwade. Anders gezegd: het kwade krijgt nu een nieuwe kans en dat is wat Haufniensis de herhaling noemt, hetgeen niet te verwarren is met de toestand van de gewoonte:

De oorspronkelijkheid van het gemoed in zijn historische ontwikkeling toont juist het eeuwige in de ernst, daarom kan de ernst nooit tot gewoonte worden. — Iets wordt gewoonte zodra het eeuwige uit de herhaling verdwijnt. Wanneer de oorspronkelijkheid in de ernst wordt verworven en bewaard is, is er successie en herhaling; zodra in de herhaling de oorspronkelijkheid uitblijft, is de gewoonte daar. Wie ernstig is, is dat juist door de oorspronkelijkheid waarmee hij terugkeert in de herhaling.

Dat mijn eindigheid een nieuwe kans heeft gekregen, betekent niet dat ik nu boven mijn eindigheid ben verheven. Nee: ik blijf een eindige mens en tot aan mijn dood blijf ik in wording. Ik zal dus telkens weer in mijn leven het gebeuren van transcendentie nodig hebben. Telkens weer zal mijn vrijheid opnieuw moeilijk worden en zal ik weer terechtkomen in de angst en de situatie waarin ik de zaak alweer laat mislukken door me te begeven in de sofistiek van de angst, omdat ik alweer geen zin heb in ernstig berouw. Zo kan ik ook telkens weer in de demonische toestand verzeild raken, want deze toestand is te allen tijde een mogelijkheid, en zelfs de ernstige mens heeft het demonische altijd bij zich, omdat gemoed wel aangeboren [kan] zijn, ernst niet. Ernstig ben ik dus nimmer van nature. Ik moet telkens weer ernstig worden over het voorwerp van de ernst, het voorwerp dat iedereen zelf heeft, want dat is hij zelf. Iedere keer dat mijn innerlijkheid niet aan dit zelfbewustzijn beantwoordt, is er een vorm van het demonische dat niet met het goede wil communiceren, terwijl de vrijheid voortdurend communiceert. Door deze voortdurende communicatie van de vrijheid heeft mijn in-zichzelf-gevangene vrijheid altijd de mogelijkheid van verlossing en bevrijding. Echter, nimmer zal deze uitkomst definitief zijn, want ze zal altijd afhankelijk blijven van mij als de enkeling die ik ben en van de houding die ik als zodanig inneem.

De angsten zijn dus een onderdeel van mijn existentie als eindige mens die in die eindigheid alsnog vrij wil zijn. De enige weg naar vrijheid is de weg via de angst. Aangezien de angst telkens weer terugkomt en de vrijheid telkens weer opnieuw bevochten moet worden, is het volgens Haufniensis raadzaam te leren angst te hebben. Dit is het onderwerp van de volgende en laatste pagina van deze lange excursie in Kierkegaards denken over vrijheid.


Tags from the story
, , ,
More from Heidi Dorudi

Paradigma: het patriarchaat bestaat niet

“Het patriarchaat ook! Het patriarchaat! Dat idiote vijandbeeld. Alsof er ergens een...
Read More