‘Wit’, ‘bruin’, ‘zwart’: huidskleur of politieke identiteit?

huidskleur
Photo: Alexander Khokhlov from the series 'Weird Beauty'

In het huidige anti-racismedebat lijken de termen ‘wit’ en ‘zwart’ politiek correcte begrippen te zijn geworden. Ze maken steeds meer deel uit van het anti-racistische discours wat — gezien de historie van racisme — zeker betekenisvol is. Toch gaat er een grote problematiek schuil achter het categoriseren van mensen op basis van huidskleur. 

Representeren de begrippen ‘wit’, ‘bruin’ en ‘zwart’ eigenlijk wel huidskleuren? Of zijn het misschien eerder politieke identiteiten? En hoe komt het dat het debat enkel nog lijkt te gaan over de dichotomie ‘wit’-‘zwart’? Ben je namelijk ‘niet echt zwart’ — in de zin van dat je geen écht zwarte huidskleur hebt —, dan lijk je minder recht van spreken te hebben als het gaat om racisme.1 Maar reflecteert dit wel de hele werkelijkheid?

Als we het project van dekolonisatie echt ernstig willen nemen, dan moeten we niet alleen kritisch zijn ten opzichte van de heersende structuren van dominantie, oppressie en uitsluiting, maar moeten we vooral ook de categorieën, de begrippen en de taal, die we daarbij gebruiken, blootstellen aan dezelfde kritiek.2 Anders lopen we gevaar de zogenaamd biologische, maar feitelijk raciale hiërarchieën van de koloniale distincties te reproduceren, in plaats van hen te bestrijden3.

Filosoferen is problematiseren. Niet om problemen te creëren die er niet zijn, uiteraard niet, maar om continu kritisch naar de realiteit te kijken. De filosofie die ik beoefen, is de metafysica en de kern van het metafysische denken is het cultiveren van een kritische houding. Daarbij gaat het niet om het hebben, of verkrijgen, van gelijk, maar in eerste instantie om het begrijpen van de wereld die ons elke dag opnieuw tegemoet treedt. De uiteindelijke motivatie is het willen leven in een rechtvaardige, vrije en open samenleving. Iets dat immers ook het doel is van het project van anti-racisme en dekolonisatie. 

Welnu, de eerste stap in het beoefenen van werkelijke kritiek, is het stellen van wat ik de metafysische wat-vragen noem. Vragen als: “Wat is ‘ras’?” “Wat is racisme?” “Wat is identiteit en is dat hetzelfde als identificatie?” “En hoe zit dat nou met huidskleur?” Andere relevante vragen in deze context zijn: “Wat is politieke zwartheid en bijgevolg politieke witheid en bruinheid?” “En welke instrumenten hebben we tot onze beschikking om de héle realiteit van racisme te kunnen analyseren en vooral te begrijpen?”

Geen van deze vragen zal ooit definitief en uitputtend beantwoord kunnen worden. Simpelweg omdat er nooit makkelijke rechttoe rechtaan antwoorden te vinden zijn op complexe thema’s zoals dekolonisatie en anti-racisme. Dat neemt echter niets weg van de urgentie ze steeds opnieuw te moeten stellen; en wel telkens weer met een kritische en ernstige houding.

Wat is ‘ras’?

Ergens in de Europese geschiedenis was er een moment waarop men het menselijke ras ging onderverdelen in ‘subgroepen’. ‘Mensenrassen’ die van elkaar zouden verschillen op basis van fenotypische kenmerken. Een fenotype is de voorstelling dat levende wezens een product zijn van erfelijke aanleg (nature) en van een hen beïnvloedend milieu (nurture). Wat hieraan ten grondslag ligt, is de voorstelling dat álle leden van zo’n onderscheiden ‘ras’ gedetermineerd zouden zijn door essentiële — want immanente en dus onveranderlijke — eigenschappen en onvermogens waardoor ze inferieur zouden zijn ten opzichte van het eigen zogenaamd ‘superieure ras’. 

Heden ten dage bevinden we ons gelukkig op een punt in de geschiedenis waarop talloze wetenschappelijke studies keer op keer hebben aangetoond dat ‘ras’ een mythe is. Een historisch en sociaal construct gebouwd op het fundament van een zogenaamd biologisch en cultureel determinisme. Niet alleen is dit fundament een gebrekkige en valse ondergrond, maar vooral een ideologie gebaseerd op, en geannexeerd door, raciale vooroordelen. Vooroordelen die alles behalve onschuldig zijn, aangezien erachter een heel specifieke en gewelddadige agenda van macht schuilgaat.

Niet biologisch determinisme, maar pluraliteit is de wet van de aarde. Dit betekent dat álles pluraal is, ook de individuele mensen op aarde. Ze vertonen een grote variatie en pluriformiteit. Zelfs als we de 7 miljard mensen kunstmatig groeperen onder bepaalde algemeenheden zoals etniciteit en huidskleur, dan nog blijven de grote verschillen tussen de individuen bínnen zo’n groep een feitelijke werkelijkheid. Als het nu gaat om ‘rassen’, dan zijn die gebaseerd op nota bene verschillen die juist volledig ontbreken in de realiteit, zoals Robert Sussman dit beschrijft4. In z’n geheel genomen lijken de mensen van de verschillende groepen zowel biologisch als genetisch namelijk meer op elkaar, dan op die racistische classificaties.5

In tijden waarop er weer sprake is van openlijk racisme — vooral jegens moslims en de islam — is het urgent dat we de geschiedenis van racisme heel goed begrijpen. Als we dat doen, kunnen we volgens Sussman zien hoe we ertoe gebracht zijn te menen dat ‘ras’ een realiteit is. Maar het tegendeel is waar: de realiteit is dat een grote diversiteit de werkelijkheid is. Een pluraliteit die niet gebaseerd is op de een of andere aangeboren erfelijkheid.6 De bestaande verschillen komen voort uit onze individuele geschiedenissen, onze individuele genetica en individuele geleefde ervaringen. Ze komen voort uit de cultuur en traditie waar we als individuen ingeboren zijn. De geschiedenis van racisme maakt daarbij wél onderdeel uit van deze culturele achtergrond. 

We moeten ons dan ook bewust zijn van deze historie, omdat velen van ons nog steeds beïnvloed worden door de illegitieme verborgen agenda’s van racisten en racisme. Wat we vooral niet mogen vergeten, is dat de homo sapiens biologisch gezien één ras is en dat de verschillende ‘rassen’ bijgevolg geen biologische realiteit hebben. Wel een culturele, die zich sinds eeuwen manifesteert als racisme.7

Wat is racisme?

Racisme heeft alles te maken met vooroordelen, met reductie en dus het dehumaniseren van individuen tot één label. Het gevolg hiervan is in eerste instantie discriminatie en uiteindelijk de volledige afwijzing van een persoon van zo’n andere ‘groep’. Die persoon is dan de Ander — met een hoofdletter A. Deze ‘inferieure’ Ander is nodig om zelf de ‘superieure’ Een — met een hoofdletter E — te zijn. Een van de belangrijkste aspecten van racisme is, dat het niet zozeer gaat om een geïndividualiseerde vorm van raciale vooroordelen, maar om de hiërarchische aspecten van racisme als een systeem dat een ongelijke verdeling van middelen, kansen en mogelijkheden instandhoudt.

Volgens Philomena Essed brengt racisme hiërarchieën aan tussen groepen van mensen, op basis van raciale en culturele vooroordelen, waarbij er aan de ene groep meer menselijkheid wordt toegeschreven dan aan de andere.8 Bovendien is racisme in de geschiedenis verankerd als een ideologie. Dit betekent dat de hiërarchische onderscheidingen in bijvoorbeeld ‘wit’, ‘bruin’ en ‘zwart’ niet gebaseerd kunnen zijn op aangeboren huidskleuren. Ideologieën zijn immers nooit biologisch, maar altijd politiek. Sterker nog, het aangeboren menselijk pallet aan huidskleuren is vele malen groter dan slechts deze drie vernauwende ideologische labels. 

Hieruit kunnen we concluderen dat de termen ‘wit’, ‘bruin’ en ‘zwart’ in feite allemaal politieke identiteiten zijn die ergens in de geschiedenis als zodanig zijn vastgelegd, verankerd en opgenomen in de taal, ofwel in het heersende discours. Tegelijkertijd zit er aan deze identiteiten een machtsstructuur vast. Als we kijken naar de machtsverdeling in de wereld, dan is de politieke identiteit ‘wit’ inderdaad de meest geprivilegieerde met aan de tegenovergestelde kant van het spectrum ‘zwart’ als de minst geprivilegieerde. Ergens daartussenin bungelt het ‘min of meer geprivilegieerde’, of ‘min of meer gediscrimineerde bruin’; zo lijkt het. 

Ik zeg ‘zo lijkt het’, omdat, zoals Essed laat zien, racisme niet alleen een historische ideologie en structuur is, maar ook een historisch proces van racialisatie. Een proces, omdat identiteiten nooit statisch, essentieel en dus onveranderlijk zijn, ook al worden ze abusievelijk wel als zodanig beschouwd. Feit is dat je lidmaatschap bij een bepaalde identiteit altijd kan veranderen afhankelijk van tijd en ruimte, maar onafhankelijk van je biologische huidskleur.

Hoe zit dat nou met huidskleur?

Kijkende naar de empirie, zien we mensen met een donkerbruine of een lichtbruine huidskleur. In Iran noemen we onze huidskleur zelfs olijfgroen — sabzeh. “Veel ‘witte’ mensen met macht hebben een rozige huidskleur,” legt Francio Guadeloupe uit, “maar niet iedereen met een rozige huidskleur heeft symbolisch en economisch aanzien.”9 Aan de hand van het voorbeeld van arme Poolse immigranten, laat hij zien dat zij ondanks hun rozige huidskleur alsnog indirect bestempeld kunnen worden als ‘zwart’ als ze naar de zogenaamde ‘zwarte’ scholen gaan. Evengoed gebeurt het dat rijke Afrikanen in sommige Afrikaanse landen geduid worden als ‘wit’.10

‘Wit’ en ‘zwart’ zijn dus termen die niets met de empirie te maken hebben. Het zijn structurele posities, oftewel politieke identiteiten, waarvan afhankelijk is welke middelen, kansen en mogelijkheden er tot je beschikking staan. Waar het vaak misgaat, is dat de empirische en politieke niveau’s door elkaar heen worden gebruikt. “Zwart,” zo zegt Guadeloupe “wordt dus bijna altijd gelijkgesteld aan donkerbruine Afrikanen, of mensen met een donkere huidskleur wier directe voorouders afkomstig zijn uit Afrika.”11

Zo bezien lijkt de term ‘zwart’ dan toch representatief te zijn voor huidskleur, maar dan alleen als die gesitueerd is in het Afrikaanse continent. Niet alleen creëert dit opnieuw een soort vernauwende en uitsluitende hiërarchie, maar dringt zich vooral de cruciale vraag op of er hierdoor niet het hele proces van racialisatie volledig uit het blikveld verdwijnt, met als gevolg nieuwe mechanismen van uitsluiting, die zich nog steeds bewegen in de koloniale dichotomieën en machtsverdelingen. Maar juist het proces van racialisatie is een van de grondkenmerken van racisme.

Wat is het proces van racialisatie?

Mijn hypothese is dat het proces van racialisatie onder andere begint met het creëren van de politieke identiteiten ‘wit’, ‘bruin’ en ‘zwart’. Als we deze begrippen niet als zuivere  politieke identiteiten beschouwen, maar als biologische gebaseerd op huidskleur, dan creëren we een groot probleem. Wie bepaalt immers wanneer je huidskleur ‘wit’, ‘bruin’ of ‘zwart’ is? Waar worden de demarcatielijnen precies vastgezet? Zijn die afhankelijk van je huidskleur, of toch van je geografische geboorteplaats, of misschien zelfs van je nationaliteit of geloof? Lopen we dan niet het gevaar om volledig uitgeleverd te worden aan de willekeur? De urgente vraag is dan ook hoe een zelfverkozen identificatie met ‘zwart’ en zelfs ‘bruin’ in termen van huidskleur, of geografie, werkelijk kan leiden tot de bevrijding die het project van dekolonisatie belooft. 

En toch is deze identificatie op basis van huidskleur steeds vaker aanwezig in het anti-racistische discours waar er gesproken wordt van bijvoorbeeld ‘de zwarte stem’, of ‘de zwarte identiteit’ met daar tegenover meestal ‘de witte man’ en zelfs ‘de niet zwarte vrouw van kleur’? Is een dergelijke taal niet alweer een proces van racialisatie op basis van een fenotype? 

Taal is beslissend in deze, want taal is altijd al een plaats van overheersing geweest. Of het nou gaat om het generieke masculiene in vele talen, of om de dominante geografische en politieke namen zoals ‘het Midden-Oosten’ en het ‘Westen’. Bijgevolg ook als het gaat om de begrippen ‘wit’, ‘bruin’ en ‘zwart’. Degene die de namen geeft, heeft immers de macht over iets of iemand in handen. Volgens de definitie van racisme van Robert Miles12 zijn taal en taalarticulatie nodig om een bepaalde groep mensen te racialiseren tot een afzonderlijke biologische of etnische groep, die hetzij positieve, hetzij negatieve karakteristieken toegewezen krijgt.

Als het dus gaat om dekolonisatie, dan is het van essentieel belang erover na te denken welke taal van politiek verzet in staat is uitsluiting en discriminatie te bestrijden. De urgentie hiervan ligt in het feit dat we leven in een uiterst geracialiseerde wereld waar de fenotypische beschrijvingen en markeringen juíst de triggers zijn voor racisme en gewelddadigheid.13

Aan elk discours hangen dus consequenties. Wordt er bijvoorbeeld gekozen voor een label zoals ‘zwarte organisatie’, dan is ook dit een heel specifiek moment waarin er een keuze gemaakt wordt over wie er impliciet wordt uitgesloten en wie niet.14 Wat ondertussen duidelijk wordt, is dat, als het gaat om racisme en discriminatie, de politieke identiteit van ‘zwartheid’ en het daarmee gepaard gaande proces van racialisatie een uiterst cruciale rol speelt.

Wat is politieke zwartheid en in het verlengde daarvan politieke witheid?

De geschiedenis is te complex om het specifieke moment aan te wijzen waarop de politieke identiteit van zwartheid15, en daarmee dus ook die van witheid, is ontstaan. Het kan ook niet gaan om één enkel, of om één eenmalig moment, aangezien de politieke identiteit van zwartheid telkens weer het gevolg is van het proces van racialisatie dat als doel heeft zelf de ‘superieure’ Een te zijn. Daarvoor is er altijd de Ander nodig die ongevraagd deze politieke identiteit opgeplakt krijgt.

Zoals de raciale wereldorde van nu eruit ziet, is het allesbehalve onzinnig te stellen dat de ‘superieure’ Een altijd de politieke identiteit van witheid heeft. Dit betekent echter niet dat er hiervoor een daadwerkelijk witte huidskleur noodzakelijk is. Een witte — of wellicht beter een rozige — huidskleur is anders gezegd wel een voldoende, maar geen noodzakelijke voorwaarde om lid te zijn van politieke witheid. Dát deze politieke identiteit van witheid de dominante identiteit is in onze huidige realiteit is dan ook de ware definitie van wat bekend staat als white supremacy. De logica van dit politieke fenomeen is dat de ‘inferieure’ Ander te allen tijde een noodzakelijke voorwaarde is voor de ‘superioriteit’ van de Een.

Deze noodzakelijke identiteit van de ‘inferieure’ Ander is een moderne toestand die niet los gedacht kan worden van de veranderingen in de afgelopen eeuwen, zo constateert Bryan Wagner16. Veranderingen die te maken hebben met reizen, handel, communicatie, consumptie, industrialisering, technologie, arbeid, oorlogsvoering, de financiële wereld, de verzekeringswereld, overheden, wetenschap, religie, etc.17 Ziehier de complexiteit waardoor we nooit met zekerheid kunnen bepalen of zwartheid vóór of ná de suikerrevolutie begon en evenmin of de slavernij een gevolg is van racisme, of omgekeerd racisme een gevolg van slavernij.18

Wat wel toegankelijk is, is de betekenis van politieke zwartheid. Het is een identiteit die wijst naar een existentie die zich buiten het moderne wereldsysteem bevindt. Het is een situatie waarbij je gereduceerd bent tot wat een essentiële eigenschap líjkt te zijn. Politieke zwartheid is anders gezegd een bepaalde vorm van onzichtbaarheid en bijgevolg is politieke witheid een bepaalde vorm van zichtbaarheid.19 Met andere woorden is de identiteit die je krijgt bepalend of je wel of niet zichtbaar bent. Of je wel of niet mee kunt doen in de wereld.

Wat is identiteit?

In de eerste plaats is een identiteit een label, een naam die je nooit zelf kiest, maar altijd krijgt van anderen. Nog voordat je geboren wordt, krijg je bijvoorbeeld al de naam ‘meisje’ of ‘jongen’. Labels zijn nooit leeg. Ze komen voort uit bepaalde tradities, conventies en conformistische manieren van denken en praten. Bijgevolg zijn identiteiten altijd al ingevuld met allerlei betekenissen omtrent het mens-zijn van het individu dat de drager wordt van zo’n label.  

Waar het nu om gaat, is dat deze tradities en manieren van praten en denken nooit de waarheid kunnen zijn, want bedacht door mensen en vastgelegd in conventies. Bovendien zit er een heel archief aan vast vol met verwachtingen van hoe het individu haar leven moet leiden, en ook, zoals we hebben gezien, welke middelen, kansen en mogelijkheden er überhaupt tot haar beschikking staan. 

Maar er is ook zoiets als vrijheid. De vrijheid namelijk zich níet te identificeren met de gegeven identiteiten. In de context van dekolonisatie is dit zich-niet-identificeren-met een act van verzet tegen, en een bevrijding van racisme, is mijn hypothese. 

Een dergelijke dekoloniserende handeling begint dan ook met de kritische vragen: ‘is dit echt wie ik ben?’, ‘val ik echt samen met de betekenissen die anderen in het verleden hebben bedacht?’, en ‘identificeer ik me wel daarmee?’ Hier komt het verschil op het toneel tussen identiteit en identificatie. 

Identiteit heeft alles te maken met een realiteit die in het verleden is ontstaan. Een realiteit echter is geen mogelijkheid, want mogelijkheid is toekomst en dus vrijheid. Mogelijkheid is een realiteit die er nu nog niet is. Het is een realiteit die pas ontstaat zodra een mogelijkheid wordt gerealiseerd en daardoor ingaat in de historie als een nieuwe realiteit. 

Dekolonisatie betekent dus dat we de koloniale en raciale identiteiten achter ons laten door ons bewust niet meer ermee te identificeren. Het betekent onze taal en discours te veranderen, zodanig dat we echt verzet kunnen bieden aan racisme. Het is een voortdurend afscheid nemen van de onzichtbare en ingesleten machtsstructuren en uitsluitingsmechanismen die de raciale categorieën, kleurcoderingen en geografische namen veroorzaakt hebben.

Intersectionaliteit, bevrijding en vrijheid

Dekolonisatie heeft in deze zin dan ook alles te maken met een authentieke en bewuste identificatie met rechtvaardigheid en zodoende met bevrijding en vrijheid.

Hiervoor beschikken we over het analytische instrument van het intersectionele denken dat de dynamiek en pluraliteit van de wereld, en dus ook van de onderdrukkende identiteiten, zichtbaar maakt. Er is immers nooit een enkele identiteit, zoals een opgeplakte geconstrueerde kleurcode, die de héle realiteit van racisme zichtbaar maakt. Altijd is er sprake van overlappende en dynamische identiteiten die niet simpelweg een optelsom zijn van de afzonderlijke delen bij elkaar, maar telkens weer een nieuw totaal vormen dat tezamen een geheel nieuwe en unieke identiteit creëert.20

Racisme en kolonisatie vormen dan ook niet het hele verhaal als het gaat om de Ander die door de Een onderdrukt en uitgesloten wordt. Er is immers nog een andere — wellicht zelfs grotere — onzichtbare en eeuwenoude globale machtsstructuur. Die van het patriarchaat met zijn overabstracties en overreducties gebaseerd op de zogenaamd essentiële categorieën van ‘masculiniteit’ en ‘femininiteit’, die immanent zouden zijn aan de 2 biologische seksen.

Wellicht moeten we daarom niet enkel dekoloniseren, maar vooral ook, zoals ik dat noem, depatrialiseren.


Een verkorte lezing van dit essay is gegeven op Thinking Planet: Internationaal Filosofiefestival op 21 April 2018.


 

Footnotes

  1. Miriyam Aouragh zegt hierover in De beperkingen van Wit Privilege: Shortcuts in de antiracisme strijd: “Eén van de conservatieve verschuivingen is de poging om mensen van kleur te herdefiniëren als ‘niet-zwart’, dus vooral als Arabisch, Latino of Aziatisch. Als zij niet ‘echt’ zwart zijn hebben zij minder recht van spreken over racisme. Ook zien we vaker een kunstmatige scheiding tussen ‘moslim’ en ‘zwart’. Dat creëert een nieuw soort hiërarchie die nog verder vernauwt en exclusief is in plaats van inclusief. Zo kan de notie ‘Whiteness’ geruisloos tot een nieuwe epistemische orde lijden: zwart > bruin > wit; een orde van onderdrukking waarbij de rol van macht of positie van klasse ondergeschikt wordt.”
  2. Zie onder andere David Theo Goldberg (1990b: 313-4): “The discourse promoting resistance use not prompt identification with and in terms of categories fundamental to the discourse of oppression. Resistance must break not only with practices of oppression, although its first task is to do that. Resistance must oppose also the language of oppression, including the categories in terms of which the oppressor (or racist) represents the forms in which resistance is expressed.”
  3. Met dank aan Khadija al Mourabit voor het mogen gebruiken van haar kernachtige beschrijving van deze problematiek.
  4. Sussman, Robert W., (1941). The myth of race : the troubling persistence of en unscientific idea. London, England: Harvard University Press, p. 305.
  5. Ibidem.
  6. Ibidem.
  7. Ibidem.
  8. Lecture Decolonizing the Humanities – by Philomena Essed op 12 April 2018: “Racism is about the creation of hierarchies of worthiness attached to groups of people. It is a historically anchored ideology, structure and process, where one group privileges its members, while disadvantaging other groups on the basis of (attributed) racial, or cultural (ethnic) factors. These factors are used to explain perceived superior and inferior of being and of being human.”
  9. Guadeloupe, F., (2014). Reparaties als een hedendaagse uiting van de permanente revolutie. Een standpunt. BMGN – Low Countries Historical Review. 129(4), pp.106–117.
  10. Ibidem.
  11. Ibidem.
  12. Stephen D. Ashe & Brendan F. McGeever (2011). Marxism, racism and the construction of ‘race’ as a social and political relation: an interview with Professor Robert Miles in Ethnic and Racial Studies, 34:12, 2009-2006.
  13. Ibidem.
  14. Ibidem.
  15. Er is een andere definitie van politieke zwartheid als een politiek predicaat dat gestoeld is op een proces van solidariteit, zoals Loretta Rose hier uitlegt. In dit essay gaat het echter om de politieke identiteit van zwartheid die niet zelfgekozen is, maar het gevolg is van het proces van racialisatie.
  16. Wagner, B. (2008) What Makes Culture Black.
  17. Ibidem.
  18. Ibidem.
  19. Ibidem.
  20. Rikhof, E. Intersectionaliteit is meer intersectioneel dan klasse.
More from Heidi Dorudi

A drive in the middle of the night

I waited for you to ask me what I was thinking, so...
Read More